Categorieën
Uncategorized

Glas in lood, 100 jaar W.F. Hermans

Plagiaat!

Heerlijk: opwinding, geròmmel in de letteren. Het betekent dat er waarde aan de literatuur gehecht wordt. En dat doet me deugd.

Maar deug ik zelf wel?

De econoom en Hermans-liefhebber Jan Wim Derks deed mij het volgende bericht toekomen: ‘Beste Marc, op p. 76/77 van Glas in lood schrijf je over Ik heb altijd gelijk. Het grootste deel van de tekst is letterlijk (!) overgeschreven van mijn artikel in Hollands Maandblad 1992-6/7. Dat noemt men plagiaat. In een volgende druk zou ik graag een correcte bronvermelding zien. Met vriendelijke groeten, Jan Wim Derks.’

Een keurige missive. Maar ook een heel akelige. Voor mij dan.

Plagiaat? Ik? Dat lijkt me sterk. Ik antwoordde: ‘Doe ik als dat zo is. Ik ben niet van de plagiaat. Niet bewust van. Maar zal aantekeningen checken morgen. Mocht het zo zijn, dan ga ik mij diep schamen. En excuseren. Voor nu (onderweg): ik snap het niet. Waarom zou ik? Groet, Marc.’

Derks in zijn reactie daarop: ‘Het bewijsmateriaal ligt hier voor me. Desgewenst kan ik het toesturen.’

Ik weer: ‘Beste Jan Wim, mag ik er morgen even naar kijken ajb? Ik kan het me niet voorstellen of heugen, maar een mens is slechter dan hij zelf denkt. Ik ga me heus schamen als het zo is. Je mag me kielhalen usw.  Ik meen een origineel werk afgeleverd te hebben en ben gewoon mijn bronnen aan te halen. Vergeten? Verdróngen? Ik WÉÉT  het niet. Maar we gaan het zien.’

Ik was er best gerust op. Maar een mens kèn zich maar vergissen nietwaar? Dat is zelfs al te menselijk. Diefstal ook trouwens. Dus het knaagde wel een beetje aan me, zoals een wesp aan een houten tuinschutting. Misschien moest ik wel achter tralies! Don’t fence me in, dacht ik. Naar het liedje dat in de uitvoering van Bing Crosby en The Andrew Sisters wereldbekend werd aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Het wordt genoemd in De tranen der acacia’s.

Maar hè, jakkes. Plagiaat…

’s Anderendaags ging ik naar mijn werkkamertje om het uit te zoeken. Ik schreef Derks: ‘Beste Jan Wim, passage gelezen: ik zie zelf niet in waar ik plagiaat gepleegd heb, maar ga nú jouw artikel opslaan (zoeken op DBNL). Kijken of ik dat ken en dus gelezen heb. Kan best. Ik hou je op de hoogte. Tot zo. Groet, Marc.

Dat bericht was nog maar een minuut of tien verstuurd of ik zag me gedwongen te vervolgen met: ‘Ja, je hebt gelijk! Ik heb niet altijd gelijk! Het is stuitend en stuitend dom van mij. Ik heb het in mijn aantekeningen opgenomen en later niet gezien dat het een citaat is. Ik heb het boekje onder druk van de deadline geschreven in 10 weken. Daar moet ’t hem in zitten. Ik ga nu meteen een bericht zetten op Facebook en je ruiterlijk de eer doen toekomen. Ik zal in een herdruk de passage veranderen en jouw naam vermelden. Ik bied mijn oprechte excuses aan. Kan ik verder nog iets doen? Groet, Marc.’

Bijna direct weer gevolgd door: ‘Mag ik jou bericht(en) citeren, het liefst volledig? Dan kan ik er in extenso een verklaring over afleggen.’ Met als een soort van postscriptum: ‘Of pleeg ik dan wéér plagiaat ? (Grapje.)’

Ja, jeeh, we moeten ook weer niet overdrijven: plagiaat is geen halsmisdaad.

Derks: ‘Beste Marc, ik heb er geen bezwaar tegen dat je mijn teksten gebruikt, mits met bronvermelding. Groeten, Jan Wim Derks.’

Ikke: ‘Nee, duidelijk. Dat doe ik ook gewoonlijk, altijd. Maar hier heb ik in mijn aantekeningen (mappen vol, 40 jaar) iets overgenomen waarvan ik later gemeend moet hebben dat het uit eigen koker kwam. Nou, niet dus. Stom. Mea culpa.’ Gevolgd door: ‘Maar je vindt het dus goed dat ik jouw bovenstaande berichten vermeld? Ik wil je anders wel een concept-stuk sturen over wat ik op Facebook wil zetten? Graag zelfs. Maar dat is aan jou.,’ En daarna: ‘Wat vind je verder van mijn boek trouwens, als kenner? Ik meen dat de rest wèl tamelijk origineel is. Maar misschien vergis ik me wel en ben ik rijp voor het gesticht. Ha!’

Derks: ‘Nee, laat tekst aan jou over. Verwacht een correcte weergave van de feiten.’

Ik: ‘Ik doe mijn best!’

Ik doe godsamme nog-an-toe héél erg mijn best. Zoals steeds eigenlijk. Vind ik. Ik schreef in mijn eentje, zonder welke hulp dan ook, een boek van meer dan 200 bladzijden over de verscheiden jubilaris Hermans, en gaf dat uit op eigen kosten. Jan Wim Derks gaf samen met René Wesselink een boek uit (Hermans honderd) van ruim 300 bladzijden plus register en de biografieën van al degene die een bijdrage hebben geleverd: dertig man! En niet de minsten: Hermans-biograaf Willem Otterspeer en de Groningse professor in de geschiedenis en theorie van de biografie Hans Renders; verder Peter Kegel, een van de projectleiders van de Volledige Werken van Hermans, alsmede Rob Delvigne, een onderlegde veelschrijver over Hermans. Gelukkig leverden ook een paar schrijvers (Thomése!) een bijdrage en natúúrlijk tal van onvermijdelijke journalisten, waarvan de anekdotische bijdrage van één A4’tje door Max Pam wèl de minste is. Mag ik voorzichtig inbrengen dat ik met mijn boek totnogtoe de meest literaire bijdrage aan het magere feestgedruis heb gegeven? Ik heb mij stinkende best gedaan.

Maar eigen roem stinkt. Zoals gemakzucht stinkt. En plagiaat onwelriekend is.

Wat is plagiaat precies? Ik houd niet van de journalistieke gemakzucht om de Van Dale te citeren, maar nu zie ik me er wel toe gedwongen – met correcte opgave van de bron! Komt-ie. Uit mijn editie van 1995, deel 2, p. 2297: ‘het overnemen van stukken, gedachten, redeneringen van anderen en deze laten doorgaan voor eigen werk, syn. letterdieverij.’

Ben ik een letterdief? Ja. Ja, ik geef het volmondig en ruiterlijk toe. Het is beschamend. Ik schaam me dus. Ik heb geen talent voor nederigheid, maar Jan Wim Derks: ik bied hierbij openbaar mijn oprechte excuses aan. Ik zal bij een herdruk de aanpassing aanbrengen. Uiteraard. 

Want nee, ik ben Hermans niet: ik heb niet altijd gelijk. Ik vergis me vaak deerlijk. Ik doen mijn best, maar faal soms. Wat kun je doen? Beter falen, zei Beckett. En zo is het.

Toch vind en hoop ik dat ik een nuance mag aanbrengen, heer Derks. Je hebt namelijk plagiaat en plagiaat. Zoals je diefstal en diefstal hebt. Zo beschrijf ik in mijn roman Zes broers en een zus het geval waarin de achtjarige ik-figuur in alle onschuld een speelgoedzakje met mini-soldaatjes meeneemt uit De Bijenkorf waar zijn moeder pas in een volgend  warenhuis achter komt. Maar dat is stélen, zegt ze, en dat is heel erg. Ze kreeg een knalrood hoofd en ging er eens goed voor staan, hartstikke verontwaardigd. Het jochie kon wel janken en reageert: ik wilde het helemaal niet stelen. ‘Nee, ik hàd het niet gestolen, wel meegenomen, maar niet gestolen. Ik was geen dief.’

Je hebt, kortom, diefstal en stomheid. Ik heb, geloof het of niet, dit ‘plagiaat’ niet opzettelijk of zelfs maar bewust gepleegd. Ik heb een fout begaan, dat wel. Dat zeker.

Ik ben dus dom. Ik weet ’t. Zoals alle mensen dom zijn. Of kunnen zijn. Dáár ben ik me wel altijd van bewust. Maar ik ben ook weer niet héél dom. Ik had namelijk heus kunnen weten dat Jan Wim Derks, die ook al bijdragen leverde aan andere Hermansiana-boeken, mijn boek zou lezen. Sterker nog: ik had daar vergif op in kunne nemen. Want Derks is liefhebber en concullega Hermans-boekverzorger. Dus ik zou wel héél erg stom zijn geweest om die passages van pak ’m beet een volle pagina zomaar (en ‘letterlijk!’) zonder bronvermelding over te nemen uit zijn Hollands Maandblad-artikel. Elders in het boek geef ik wel degelijk bronvermeldingen waar ik dat nodig achtte. Ik meen overigens dat ik genoeg uit eigen koker in dat boek heb ondergebracht. De meesten menen te kunne volstaan met vaak schitterende Hermans-citaten. Ik heb me erop toegelegd mijn kijk op Hermans in originele bewoordingen (en bevindingen) weer te geven. Zelf vind ik natuurlijk dat ik daar goed in geslaagd ben. Maar dàt is natuurlijk aan de lezer. Lees dus en oordeel zelf.

Nog één opmerking. In Jan Wim Derks’ eigen bijdrage aan het mede door hem zelf verzorgde boek Hermans honderd gaat het om een mailwisseling tussen hemzelf en Jeroen Brouwers. Brouwers schrijft daarin dat hij Hermans bewondert om de ‘inspirerende haat voor alles wat corrupt is, zowel in de literatuur als daarbuiten’. Welaan, ook ik bewonder Hermans om die reden en ik beschouw hem ook juist daarin als voorbeeld. Mijn ‘plagiaat’ is niet corrupt, maar gewoon een beetje dom.

Ik heb gezegd. Dank u. 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *