Spataderen

De zon kwam niet door de mist heen. Even bleef ik met open mond van verbazing staan voor het raam. Moeder had zojuist het gordijn open geschoven. Het was een vreemd gezicht: alsof de straat was volgelopen met magere melk, zo dicht was de mist. Het venster was één spierwit geheel. ‛Dat heb je wel vaker in deze tijd van het jaar,’ zei moeder.

‛Een dag als een onbeschreven blad,’ mompelde vader ongewoon nuchtertjes op, ‛onschuldig nog.’

‛Maar ook gevaarlijk. Met het verkeer, bedoel ik,’ antwoordde zij. ‛Kijk maar uit straks.’

Vlak onder de altijd spierwitte huid van haar mollige benen kronkelden hier en daar angstaanjagend paars-blauwe rivieren die, waagde ik te zeggen, op de plekken vol knobbels en bobbels leken open te zullen barsten. ‛Ze heten,’ riep ik paniekerig, ‛niet voor niks spataderen! Dat heeft u zelf gezegd.’ Alleen al als ik ernaar keek – en ik kon dat gek genoeg niet weerstaan – werd ik misselijk. En dan zag ik ze voor mijn geestesoog meteen al openspatten. Ik kreeg terstond tranen in m’n ogen van angst en verdriet. Ze zou ervan doodgaan, net nu het zo goed ging! Want ze was zo blij met ons nieuwe broertje Bastiaan, dat Frans mij verzekerde dat ze nu zéker niet meer zou weglopen. Maar nee hoor, het zou nooit meer helemaal goed komen. Het was altijd wat: nota bene woorden die haar op de lippen bestorven lagen.

‘Nee hoor,’ zei moeder, ‘stel je niet aan. En niet huilen, hoor. Het zijn ongevaarlijke knobbels en bobbels.’ Ze zuchtte, wilde duidelijk van het onderwerp af en haastte zich om haar benen weer te bedekken met de slippen van haar sleetse kamerjas. Ze was opgestaan van de ontbijttafel om iets uit de keuken te halen, maar draalde.

‘Knobbel en bobbel!’ riep de opverende Geerie enthousiast, ‘net als de konijntjes!’

Iedereen keek hem aan, om terstond in lachen uit te barsten. Ook ik. Vader zelfs. ‛Jantje huilt, Jantje lacht,’ zei moeder. Alleen Geerie lachte niet. Integendeel. Zijn ogen vol schrik draaiden weg en hij hield zijn hoofd wat schuin, net alsof hij een draai om zijn oren verwachtte.

‘Dat zijn Knabbel en Babbel, sukkel!’ (Pim.)

‘Ja, uit de Donald Duck.’ (Frans.)

‘En dat zijn helemaal geen konijnen, maar een soort eekhoorns.’ (Ik.)

‘Jongens, hou nou eens een keer op,’ maande moeder ons. ‘En dat al op de vroege ochtend. Eten jullie liever door, want de school gaat zo beginnen.’ Ze verdween door de deur naar de de keuken.

‘Ja-ah, en mamma heeft ook aambeien,’ wist Mirjam op bijna fluistertoon aan te vullen.

‘O lekker,’ waagde Geerie het weer, ‘aardbeien.’

En toen zag je hem iets bedenken, zijn wenkbrauwen helden over de oogkassen heen: ‘In de winter?…’ Verbaasd keek hij op – en weer begon iedereen hem uit te lachen. Ook ik, die evenmin als Geerie begreep waar het nu weer over ging, maar ik wist tenminste af en toe m’n kop te houden en dat werkte heel goed. Door me zo zwijgend van de domme te houden probeerde ik meer aansluiting te krijgen bij mijn oudere broers. Zwijgen is goud, zeggen ze immers. Ja, ik was als zo’n goud geverfd beeld uit de kerk. Het bladgoud van de wijsheid! Dat was wellicht zoiets als het dunne laagje beschaving, waar vader het wel eens over had. Dat had hij uit de krant.

Bij haar terugkeer uit de keuken zei Johan tegen moeder: ‘Geerie denkt dat je aardbeien hebt.’

Moeder kreeg een kleur en lachte wat schichtig.

Wat was ze toch lief. En mooi ook. Alleen, die aderen… Ik had iets dergelijks gezien bij haar gezwollen borsten toen ze ons jongste broertje te drinken gaf, maar dát zag er op de een of andere manier wel gezond uit.

Maar dit… Dit zag er gruwelijk uit en deed me steeds meer denken aan de beurse benen van Daan’s oma, die twee maanden eerder min of meer plotseling was overleden. Ik maakte me grote zorgen en begon er ’s avonds, toen ze me naar bed bracht, opnieuw over. Tot mijn opluchting vond moeder dat al helemaal onzin. ‘Dat was een oma, een heel oude vrouw, oude mensen gaan dood, dat is waar, maar ik ga nog lang niet dood. Eerst moet ik voor jullie zorgen. Pas als jullie echt groot zijn en niet meer thuis wonen, als jullie me niet meer zullen missen, ja dan…’

Dat ‘ja dan’ deed me weer huiveren. ‘En die benen dan!’ riep ik. ‘Dat lijkt er sprekend op.’

‘Welnee, jongen. Zij, de oma van Daantje, had reuma en suiker…’

‘Suiker?’

‘Suikerziekte. Uh…, dan kan je niet zo goed tegen suiker, zeg maar. En verder had ze nog van alles. Ik weet het niet precies, maar… Tja, wat wil je, zij was dik in de tachtig… Bij mij zijn alleen wat aderen opgezet, dat komt van de bevalling. Het gaat vanzelf weer over en zo niet, dan haalt de dokter ze weg.’

‘Maar je kunt toch niet zonder aderen?’

‘Tja, dat weet ik ook allemaal niet, maar ze halen ze wel weg. En ga nu maar lekker slapen, want ik heb nog meer te doen en straks komt je vader thuis.’

De volgende dag op school vroeg ik Daan naar de ziekte van zijn oma. Hij wist het niet precies, antwoordde hij. Maakte ook niet uit, zei hij. Ze was gewoon hartstikke oud en oude mensen gaan dood. Hij haalde er verder zijn schouders over op. Hij wilde liever weten of ik weer eens mee ging naar de bios.

En hij had natuurlijk gelijk. In het bejaardenhuis waar ik als misdienaar fungeerde ging er elke week wel iemand dood. Nou, dat gebeurde gewoon. Daarover moest je je niet zo aanstellen, zoals vader deed, ja. Doodgaan was iets voor oude mensen, precies wat moeder ook zei, en daar had ik verder dus niet zo veel mee te maken. Ooit zouden mijn ouders doodgaan, maar dat zou vast nog vele tientallen jaren duren. Ik kon me er niet eens iets concreets bij voorstellen. Maar die spataderen, die kreeg ik maar moeilijk uit mijn hoofd.