In de bioscoop

Daar zaten we, plots in de volledige duisternis, terwijl we alleen geratel hoorden en het klepperen van het los geschoten stukje film tegen de projector. We zaten er pas een kwartier en ik had mijn aandacht er nog helemaal niet bij kunnen houden. Druk was het er niet, in de bioscoop, dat kleine zaaltje. Ben Groenwege had me mee gevraagd. Het zou goed voor me zijn, had hij me vaderlijk toegesproken. Het leidde af, film kijken in het donker. Nou, daar zaten we mooi, dacht ik cynischer dan ik eigenlijk wilde, in die zogenaamd weldadige duisternis. En het geratel was eigenlijk precies zoals de gedachten die soms maar in het duister van je hoofd blijven knetteren. Om gek van te worden.

Natuurlijk, hij bedoelde het goed, Ben. Hij had ons, de vrienden van Daan, ook metterdaad op sleeptouw genomen. Omdat hij wat ouder was en omdat hij er ervaring mee had, met het overlijden van een naaste. Want zijn vader was al jong overleden. Maar nu wist ik ook hoe dat zo gekomen was. De man had zich opgehangen. In de stal van zijn boerderij en Ben had hem aangetroffen. Hoe het nou precies zo gekomen was, wist hij niet, maar daar moest je vooral ook niet over nadenken, vond Ben. Daar moest je zelfs niet eens aan wíllen denken. Omdat dat geen enkel nut had. Je moest je, was zijn vaste welhaast heilige overtuiging, richten op je naasten. We moesten elkaar vasthouden, elkaar helpen, een hechte gemeenschap vormen. Zo zag hij onze vriendengroep ook. En precies daarom had hij me mee gevraagd naar de film – Lex mocht niet mee van zijn ouders, maar dat had een andere oorzaak, en een heel voorstelbare. Zijn ouders vonden dat hij ’s avonds voorlopig maar thuis moest blijven. Niet meer naar feestjes of wat ook, en dus ook niet naar de bioscoop.

Ik zei dat ik naar huis wilde, maar Ben drong aan nog even te wachten.

‛Ik kan die hele film niet volgen. Ik ben er met mijn gedachten niet bij.’

‛Ze zijn ’m aan het fiksen.’

‛Ja, dat weet ik.’ En ik dacht: sjeezus, dat begrijp ik ook nog wel.

Ik moest heel even denken aan die toch wel indrukwekkende machinerie in dat kleine hok daarboven, waar die twee projectors stonden. Ik was een keer in die ruimte geweest. Grote dingen, zwaar en fascinerend wel. Als ze me hadden gezegd dat het oorlogstuig was, had ik het ook geloofd. Maar nu kon het me allemaal niks schelen.

Al gauw kwamen mijn gedachten weer uit bij Daan, bij de dood en bij vader. Zoals zo vaak die tijd. Want zo was dat dus, doodgaan. Vader had gelijk als hij dienaangaande sprak over ‛de grote verdwijntruc’. Daan was verdwenen. Zo was het. Compleet. Verdwenen ín de aardbodem, om daar op te lossen, te vergaan, tot er weinig meer zou overblijven dan wat vergeelde beenderen. De gruwel. Het was waar. Het was dus allemaal waar. En vader wist dat als geen ander en maakte er ook geen geheim van. Daar viel iets voor te zeggen. Ja, ik keek daar nu toch wel anders tegenaan, tegen die angstbuien van hem en dat geschreeuw en gedoe. Want het was nogal wat. Hij was laatst weer bij de psychiater geweest en had daarover verteld. Dat hij die man toegeschreeuwd had: ‛Ik lijd aan dwanggedachten en dat is omgekeerde verdringing! Dat zijn regelrechte blikseminslagen! Rechtstreeks je kop in.’ En dat die man toen gezegd had dat hij ‛zoals de filosoof zegt’ de dag moest plukken.

‛Maar ik ben toch geen kind in een bloemenwei!’ had vader terug gekaatst. ‛Ik zeg: ik pluk een gedicht, ja, ik pluk Bloem: “Denkend aan de dood kan ik niet slapen, En niet slapend denk ik aan de dood”.’

Alsof hij die regels zelf verzonnen had, zo trots was hij erop. En nee, daar had die pillenpreparateur mooi niet van terug! Hij kende dat godverdee niet eens, die paar dichtregels, terwijl ze toch best beroemd waren of zouden moeten zijn, naar hij dacht. Hij had in bieb eens gekeken in een bundel van die dichter Bloem. Dat kwam doordat hij boven een overlijdensadvertentie een regel van diezelfde Bloem had gezien die hem in zijn zwaarmoedigheid hevig bezighield: ‛Leven is altijd: naar de dood toe gaan.’ Geen speld tussen te krijgen, vond hij. En dus had hij dat driedubbel onderstreept met die bibberige vingers van hem, in het rood en in het blauw, en was toen naar de bibliotheek gegaan, waar ze hem eigenlijk alleen kende als de man die altijd naar de nieuwe oorlogsboeken vroeg.