Doodskus

Ik kijk naar oma, naar haar neus en de haren daarin. Ze is heel anders. Heel anders. Maar wat is er, behalve dat ze zo stil ligt, verder toch zo vreemd aan haar?

Vader is begonnen met het Onze Vader. Hij dreunt het op. Mij gaat het te snel, maar ik hoor meebrommende stemmen uit de andere kamer.

Ik weet het: ze heeft geen bril op! En juist die bril gaf haar ogen iets zachts. Ik wil het tegen m’n vader zeggen, maar durf het niet goed. Bovendien is hij nog bezig met het onzevader.

‘…behoed ons voor het kwaad,’ briest hij en dan zwijgt hij en ademt uit zijn mond, alsof hij zich net heel erg heeft ingespannen. Verder hoor ik alleen het tikken van de klok in de andere kamer. Waarom maken klokken eigenlijk altijd geluid, vraag ik me opeens af. Ja, zelfs horloges maken geluid als je je oor ertegen drukt, zoals ik wel eens deed met mijn vaders horloge. Ik moest het hem eens vragen, maar niet nu. Ik kon het trouwens beter vragen aan mijn moeder, of aan m’n zus of een van m’n broers.

‘Móeduhhr!!’ roept mijn vader opeens uit. Ik schrik ervan. Hij begint ook nog eens te huilen, daar kan ik al helemaal niet tegen. Het zweet breekt me uit. Weglopen kan ik niet want mijn vader houdt me bij mijn schouders beet, hij knijpt erin, ja, hij houdt zich aan mij vast. Ik hoor tante Bets in de andere kamer iets zeggen. En daarna ome Jan: ‘Wát dan?’ Kennelijk staat hij op want ik herken het geluid van de stoel waaruit hij opstaat. Het is een soort van knerpen. Ome Jan heeft wel eens verteld dat dat komt omdat het leer van varkenshuid is gemaakt en dat het knorren daardoor knerpen is geworden. Ome Piet, minder spraakzaam, maar ook minder verbeeldingsrijk, zei toen geërgerd dat dat ‘klinkklare nonsens’ was. ‘Ze zijn van imitatieleer,’ zei hij. ‘Namaak. Wat jij zegt is klinkklare nonsens. Klinkklare nonsens!’ Hij leek opeens wel boos. Ja, hij wás boos. Maar eigenlijk was hij altijd boos.

Ik span mijn oren in en hoor zelfs ome Jan’s schoenen kraken, maar dat duurt maar kort. Hij komt me kennelijk niet te hulp. Wat let hem?

Plotseling voel ik de hand van mijn vader in m’n nek en hij duwt me naar voren. Hij is opgehouden met snikken en brengt mijn gezicht tot vlakbij oma’s gezicht. Hij doet me pijn. Ik zie haar huid, de blauwige vlekken eronder, de pukkel naast haar neus, haar neusharen. Ik kan haar ruiken, al is het anders dan anders en het allergekst is: ze is volkomen bewegingsloos, ze ademt niet. Doodgaan, had moeder gezegd, betekent dat je geen adem meer haalt.

‘Kus haar,’ zegt hij streng en knijpt me nog harder, drukt mijn hoofd naar beneden.

Ik sta duizend angsten uit maar kan geen kant op. Ik sluit mijn ogen. Mijn lippen raken haar lippen, die koud, stijf en droog en naar aanvoelen. Ik word misselijk en draaierig. Het lijkt eeuwen te duren. Zijn hand omklemt me mechanisch, ik zit als een rat in de val. Maar dan laat hij los en meen ik hem sorry te horen zeggen, heel zachtjes. Hij aait me over m’n bol. ‘We gaan, jongen,’ zegt hij. En dan, snikkend: ‘Ik kon het niet…’ En dat was dan zeker weer dat.

Kokhalzend sta ik naast haar doodsbed. Ik vind normaal gesproken de kussen van mijn tantes al vies, die ontweek ik, maar dit sloeg alles en dit kón ik niet ontwijken. Ik ben zo gefocust op mijn lippen, dat ze wel lijken te branden. Net alsof ik er blaren op heb zitten. Maar het is de afschuw die ze zo doet voelen. En het bonst in mijn hoofd. Ik zie er scheel van. Oma’s lippen voelden onaangenaam, ja, huiveringwekkend koel aan, en droog, droog als zeem. Het vreemde was dat ik wilde spuwen – gewoon op de vloer, kon me niks schelen – maar zelf ook opeens een droge mond had. Terwijl ik me daar zorgen over maak (zoiets was toch niet besmettelijk!?), legt mijn vader zijn hand weer op mijn schouder legt en geleidt me.

Terug in de andere kamer zie ik de verschrikte gezichten van mijn ooms en tante. ‘Mijn god, Adri, was dééd je?’ zegt tante Bets. Ome Jan draait zich om en kijkt naar buiten. Het is somber weer, grijs maar rustig. Ome Piet blaast rook uit en kijkt die glazig na.

‘Man man man man,’ zei ome Jan toen hoofdschuddend en hij keek over zijn schouder naar zijn jongste broer. ‘Wat heb je ons weer laten schrikken.’

Ons? dacht ik. Mij, zul je bedoelen! Want wie was hier nou geschrokken? Kom op, zeg! Ze vergaten je waar je bij stond, die volwassenen. Stom gedoe!

Op dat moment vroeg tante Bets met een heel lieve stem: ‘Cor, wil je een snoepje?’ Ze hield haar armen open, maar ik hield toch een beetje afstand. Je wist maar nooit. Een snoepje wilde ik wel. O, twee ook wel. Ja, ik wilde heel graag iets zoets proeven, weer iets van smaak in mijn mond voelen, want dat droge voelde helemaal niet goed.

‘En Adri dan maar een kopje koffie?’ klonk het welwillend.

Ze gebaarde dat ome Jan er een stoel bij moest halen uit de keuken.

M’n vader ging zitten en verborg zijn gezicht in z’n handen. Toen keek hij op en zei: ‘Maar ze ligt er wel mooi bij. Dat wel.’

Instemmend gemompel. Tante Bets schonk hem koffie in. Hij dreigde weer in gedrein uit te barsten en ze gaf hem een bemoedigend schoudertikje. Ik stond er maar zo’n beetje bij, sabbelend op m’n frambozensnoepje. Lekker zoet en zuur. Ik keek naar mijn ooms. Die ochtend hadden m’n broers me uitgelegd, en ook laten zien, wat een uitroepteken is. De stropdassen van mijn ooms, met de knoop als punt, zijn omgekeerde uitroeptekens, zag ik. Zij begonnen te praten over allerlei zaken waar ik niks of weinig van begreep. Allemaal saaie zaken. Daarom vroeg ik waar de poes was. ‘Buiten,’ klonk het. Ik dorst op dat moment niet te vragen of ik ook naar buiten mocht.

Mijn vader nam slobberend en plotseling ongeduldig een slok van zijn koffie, bedankte toen, stond op en nam me mee. Naar huis.

‘Maar je koffie…’ probeerde tante Bets nog.

‘Sorry Bets, ik moet gaan, ik heb nog werk te doen.’

‘Je kent hem toch,’ zei ome Piet.