Essays

  • Voor het essay ‘Crash’ over de Engelse schrijver J.G. Ballard, klik hier              
  • Voor het verhalende essay over ‘De landschappen van mijn jeugd’ , klik hier

 

Gedoemde songwriters

 

(Zoals eerder gepubliceerd in Maatstaf 6, juni 1995, jaargang 43) 

 

Maar eerst toch maar deze update, want elke tijd heeft z’n eigen gedoemde generatie, nietwaar? Ik zeg: verdomd als ’t niet waar is! 

De nieuwe doemgeneratie. We hadden Byron en zijn geestverwanten, de Franse poètes maudits, de gedoemde rockartiesten als Jim Morrison, Ian Curtis en Kurt Cobain (zie dus hieronder). En nu hebben we drie beroemde emo-rappers die met al hun roem ten onder zijn gegaan. Net als hun voorgangers vertelden ze zangerig hun persoonlijke verhalen over depressie en slaapgebrek, over wanhoop en pijn, en over hun fatale bestrijding daarvan. Mac Miller stierf aan een overdosis cocaïne en alcohol, XXXTentacion werd doodgeschoten, Lil Peep nam waarschijnlijk te veel fentanyl tot zich. En ook hier zijn er verhalen van omstanders en managers, ook hier weer berichten over veel te volle agenda’s en voortdurende deadlines. Wie trekt er een streep? Of lieten ze het er op aan komen?

En dan volgt nu het oorspronkelijke essay over gedoemde songwriters: 

In 1884 verscheen de zeer invloedrijke, door de Franse dichter Paul Verlaine samengestelde bloemlezing Les poètes maudits, waarin hij miskende, ‘gedoemde’ dichters bijeenbracht. Precies honderd jaar later lijkt de rol van de poëzie voor jongeren te zijn uitgespeeld. Popmuziek neemt nu die plaats in. En ook popmuziek blijkt haar gedoemde figuren te hebben. Kurt Cobain, de onlangs gestorven zanger van Nirvana, is voorlopig de laatste in dat rijtje.

In de tweede helft van de twintigste eeuw heeft de popmuziek de poëzie verdrongen als het kunstgenre bij uitstek waarin ‘de jeugd’ zijn stem laat horen. Of, zoals Karin Spaink eens bekende: ‘Poëzie draai ik, ik lees haar zelden.’ De poëzie leidt, internationaal, een kwijnend bestaan. Onlangs sprak Gerrit Komrij in een interview met Trouw  over de tijden dat de nieuwste dichtbundels fel bediscussieerd werden door jonge mensen op hun zolderkamertjes. Dat is niet meer zo. Vandaag de dag worden de nieuwe cd’s  besproken. Komrij in de Poëziekrant (nummer 1, 1994): ‘De poëzie als maatschappelijk verschijnsel is dood. (…) Er zijn wel meer genres uitgestorven, hoor.’

     Het is betreurenswaardig, maar waar. Debutanten van jonger dan dertig komen niet veel meer voor, van jonger dan twintig zijn zeer zeldzaam. Het zijn vooral ouderen die poëzie publiceren, zij het niet erg levensvatbare poëzie. Het is veel ons kent ons, belangstelling van niet-collega’s ontbreekt. De grote bloeitijd van de poëzie was honderd jaar en langer geleden. De negentiende eeuw. De grootste levende dichters van nu, en zeker Jean-Pierre Rawie en Komrij zelf, hoe verschillend ook, vinden hun grootste voorbeelden dan ook in die vervlogen tijd.

     In Nederland, waar alles vijftig jaar later schijnt te gebeuren, bloeide zij, na de doorbraak van het jeugdige elan van de Tachtigers, vooral op in de vooroorlogse jaren, met figuren als Nijhoff, De Vries, Van Ostaijen, Slauerhoff en Achterberg (allemaal geboren tussen 1894 en 1905), om er slechts enkelen te noemen. Daarna kende Nederland alleen een opleving met de Vijftigers, van wie er misschhien een enkeling ‘blijvend’ is. De Maximalen probeerden de poëzie eind jaren tachtig nieuw leven in te blazen, maar die sympathieke poging leverde behalve een hoop (negatieve) publiciteit vooralsnog maar weinig goede gedichten op. Overigens blijft de poëzie een zaak van eenlingen. Zoals Rawie en Komrij dat zijn.

     Na de Engelse romantici, die vandaag de dag toch belangrijk aan populariteit ingeboet hebben (wie leest nog de gedichten van Byron?), waren het vooral de Franse dichters in de tweede helft van de negentiende eeuw die de dichtkunst tot grote bloei brachten – en nog steeds verschijnt er van hun werken herdruk op herdruk, ook buiten Frankrijk. Zo wezen zowel de Vijftigers als de Maximalen hen aan als voorlopers. Ja, eigenlijk doet iedere dichter dat.

     De belangrijkste van deze Franse dichters behoorden tot de zogenaamde ‘gedoemde dichters’ (les poètes maudits), zoals hier te lande bijeengebracht in de gelijknamige bloemlezing van Paul Rodenko. Enkele namen: Baudelaire, Lautréamont, Verlaine, Rimbaud, Mallarmé, Jarry en hekkesluiter Artaud (gestorven in 1948).

     Nu is er, in de schier onontwarbare kluwen die de popmuziek is, een aantal kunstenaars die veel of in ieder geval een aantal overeenkomsten vertoont met die beroemde negentiende-eeuwse dichters. De popmuziek is vooral een Angelsaksische aangelegenheid en de specifieke musici die ik hierbij op het oog heb, zijn aartsvader Iggy Pop, Lou Reed, David Bowie (zijdelings, en in die hoedanigheid beslist niet de enige), Jim Morrison, Richard Hell, Johnny Rotten, Jello Biafra, Patti Smith, Marc Bolan, Adrian Borland, Ian Curtis, Nick Cave en Kurt Cobain. Deze opsomming is zeer summier maar in zekere zin representatief. Het zijn ook allen popmusici die teksten  schreven. En weliswaar maken ze veelal deel uit van een band, maar ook in de popmuziek blijft kunst, om met Kloos te spreken, de allerindividueelste expressie van het allerindividueelste gevoel.

     De zoals dat dan heet ‘jong gestorven’ Jim Morrison, Ian Curtis en Kurt Cobain zijn – tegen wil en dank – de martelaren van deze groep geworden. Alle drie hielden ze er dichterlijke ambities op na. Het zijn de gedoemde muziekdichters bij uitstek. De anderen, zo zou je kunnen zeggen, hebben zichzelf in die hoedanigheid overleefd. Wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon. Zo schrijft A. Alvarez in zijn ‘studie over zelfmoord’ De wrede god , dat Keats, de vroeg-negentiende-eeuwse Engelse dichter die tot de romantici gerekend wordt, als een beroemde, geëerde, getrouwde man van middelbare leeftijd in de ogen van de negentiende eeuw een oninteressante figuur geweest zou zijn, ‘zelfs als hij al zijn beloften van creatieve genialiteit had vervuld’. Want het is ‘één van de dogma’s van de romantiek dat het intense, ware leven van het gevoel onherroepelijk verdwijnt wanneer de middelbare leeftijd wordt bereikt‘. En hij citeert Balzac (in Peau de Chagrin ):  ‘Het is ons lot de emoties te doden en zo een rijpe leeftijd te bereiken of het martelaarschap van onze hartstochten te aanvaarden en jong te sterven.’

     Wat zijn ‘gedoemde dichters’?

     Over die vraag heeft Paul Rodenko zich al gebogen in de inleiding bij zijn bloemlezing. Hij licht toe, hij expliceert, maar hij komt er niet uit. (En net zo merkt hij op dat het begrip ‘moderne poëzie’ allesbehalve eensluidend is, dat er een ‘chaos van uiteenlopende en elkaar bestrijdende richtingen en tendensen’ bestaat – toestand die verdraaid veel wegheeft van de ‘onontwarbare kluwen’ van de popmuziek waar ik zojuist over sprak. Merk trouwens op dat in de momentele poëzie alle richtingen en tendensen nou ja, vredig naast elkaar bestaan. Een teken te meer dat de fut eruit is.)

     Aanvankelijk (Paul Verlaine, in de eerste bloemlezing onder die titel; in 1884, precies honderd jaar geleden verschenen) werd met die poètes maudits  de gelijkheid van situatie waarin zij verkeerden aangeduid, namelijk het miskend zijn. Later werd dat, zo schrijft Rodenko, de min of meer toevallige  doem die op hun biografie rust, die het noodzakelijkegevolg is van het zich bezighouden met deze bepaalde soort van poëzie. (Zijn cursiveringen. Ik moet zeggen, een knap staaltje van retorica: paradox en cirkelredenering inéén.) Verder stipt Rodenko hun preoccupatie met ‘het Kwaad’ aan, ja, hun bondgenootschap daarin. Daartoe wendden die dichters de ‘onderwereld’ van hun creatieve krachten aan. En, voegt Rodenko, daaraan toe, ‘wat is deze anders dan wat wij tegenwoordig het “onbewuste” noemen?’ Hun creativiteit, aldus nog steeds Rodenko, hangt samen met doodsdrift en niet met eros. Uiteindelijk blijkt de zin van deze destructiviteit zelfdestuctie te zijn. En, nog een kenmerk, hierbij leggen deze dichters een fatalistische consequentie aan de dag. Met andere woorden: niet poëzie, maar zelfmoord als daad van (zelf)bevestiging. Ook valt het Rodenko op dat de meesten van hen sterk beïnvloed zijn door magiërs en het occulte. Maar als ‘het kenmerkende’ voert Rodenko aan dat zo’n dichter er op de een of andere manier van overtuigd is dat hij alleen als verdoemde en niet als geredde zijn taak – zijn noodlot, zijn vloek – als dichter kan of moet vervullen. Maar waarom? vraagt hij zichzelf dan meteen weer af. Antwoord: ‘Dat is het “Mysterie” van de poésie maudite.’

     Kortom, Rodenko komt er niet uit. Hij geeft dat ook toe (‘Ik geef alleen contouren aan’) en bekent dat hij op intuïtie is aangewezen. Gedoemde dichter? ‘Het is een stigma.’ En hij besluit zijn inleiding met een  citaat, twee regels van Charles Cros die leven en werk van de gedoemde dichter ‘op bondige wijze samenvatten’:

     Car les mots sont des procédés / Dont on meurt vite

     (Want de woorden zijn de procédés / Waaraan men gauw sterft)

     Ook al weet Rodenko zijn vinger niet precies op de kwalificatie ‘gedoemde dichter’ te leggen, de overeenkomsten met de jonge helden van de popmuziek zijn opvallend, zo niet onontkoombaar.

     Als ik me beperk tot Jim Morrison, Ian Curtis en Kurt Cobain, dan wil ik alleen opmerken dat er van miskenning geen sprake kan zijn. Alle drie waren bij leven gevierde popmuzikanten. En niet pas ná hun dood. (Zo kent Jeroen Brouwers, zeer geleerd in de literaire Zelfmoordkunde, slechts twee gevallen uit de hele wereldliteratuur waarin iemand beroemd is geworden dankzij zijn zelfmoord.) Maar let wel: popmuzikanten. Gevierd als zangers – niet als dichters.

     Toch waren het, of vonden zij zichzelf, (ook? vooral?) dichters.

     Nadat Jim Morrison Amerika ontvlucht was en in poëziestad nummer 1, Parijs, was neergestreken, gaf hij in eigen beheer en onder eigen naam, James Douglas Morrison, zijn bundels The lords  en The new creatures  uit. Oplage: honderd exemplaren. Uitgeveij Simon & Schuster rook geld en bracht de bundels samengevoegd uit, maar – het grote  geld – onder zijn artiestennaam. Succes verzekerd, want de ‘King Lizard’ was een levende legende.

     Maar die waardering gold toch in eerste instantie zijn muziek. Als dichter werd hij door het establishment toch niet helemaal voor vol aangezien, niet serieus genomen. En, belangrijker, door de jeugd, onervaren met lezen van poëzie, misschien wel gekocht en gelezen, maar niet echt begrepen, opgepikt. Het moet hem dwars hebben gezeten – misschien heeft zelfs juist dàt hem gefnuikt, hem tot ‘gedoemde’ gemaakt.  Immers, Morrison heeft herhaaldelijk laten weten dat hij zichzelf in de eerste plaats als dichter beschouwde. Niet als zanger, en zeker niet als podiumartiest (‘Ik ben een intelligent en gevoelig iemand. Maar ik heb het hart van een clown en dat is wat me fnuikt’).

     Zijn uitspraken over poëzie vertonen overigens een opvallende gelijkenis met die van de beroemdste poètes maudits. Baudelaire zal ‘(…) Diep in de afgrond duiken, Hemel of Hel, om ’t even / Diep in wat onbekend is, om er iets nieuws te vinden’. En dat doet denken aan Morrisons ontboezeming: ‘Laten we(…)  zeggen dat ik de grenzen van de werkelijkheid op de proef wilde stellen. Ik was benieuwd te zien wat er zou gebeuren. Gewoon nieuwsgierigheid.’ En Rimbauds beroemde woorden ‘Ik wil dichter worden, en ik span me in om ziener  te worden (…). Het gaat erom het onbekende te bereiken door de ontregeling van alle zintuigen ’, worden in herinnering gebracht als je leest wat Morrison, gepreoccupeerd door Indiaanse magie en een occulte dichter als Blake, zich tot doel stelde: ‘Als mijn poëzie dan iets beoogt te bereiken, dan is het de mensen te verlossen van de beperkte manier waarop zij zien en voelen.’

     Terugkijkend op de schrijfsels uit zijn schooljaren, moet de volgende constatering hem met pijn vervuld hebben: ‘Ik had nooit iets origineels geschreven – omdat het voornamelijk accumulaties waren van dingen die ik had gelezen of gehoord, zoals citaten uit boeken. Ik denk dat als ik me er nooit van bevrijd had, ik nooit vrij geweest zou zijn.’ Met pijn, omdat hij in werkelijkheid nooit veel verder is gekomen. Want zijn poëzie bleef middelbare-schoolpoëzie. Aanzetten, ideetjes. Het rammelt aan alle kanten en gaat nooit ‘zingen’. Het waren de muziek en zijn stem die het geraamte van zijn tekst telkens van een lichaam en een ziel voorzagen. De dichter James Douglas Morrison heeft zich nooit bevrijd van Jim Morrison, de zanger van The Doors.

     Over zijn doodsoorzaak, op zevenentwintigjarige leeftijd, bestaat veel onduidelijkheid. Het schijnt een hartaanval geweest te zijn, mogelijk als gevolg van te veel drugs, welke dan ook. Opzet is niet uitgesloten. Zijn graf op ’s werelds beroemdste dodenakker Père-Lachaise is een bedevaartsoord voor jongeren, zoals tweehonderd jaar geleden bedevaarten werden gehouden naar ‘het graf’ van Werther, de romantische held van Goethe die zoveel had geleden. (Goethe niet, Werther. Als er overigens één iemand heeft bestaan die verraad pleegde aan de jeugd – van zowel hemzelf als in het algemeen – dan is het wel Goethe.)

     De doodsoorzaak van Ian Curtis van Joy Division staat vast: hij heeft zich verhangen. Over de reden daarvoor wordt discreet gezwegen. (Voor zover er überhaupt zoiets als ‘een reden’ aangewezen kan worden voor der mensen daad. Curtis in een van zijn songs: ‘People who change for no reason at all, it’s happening all of the time.’) Wel is zeker dat er, behalve algehele misère, liefdesverdriet in het spel is. ‘Love will tear us apart’ is daar de schrijnende getuigenis van.

     Curtis songteksten zijn gebaseerd op de gedichten die hij schreef en die helaas (nog) niet zijn uitgegeven. Zijn songteksten zijn beter, dat wil zeggen inhoudelijker, beeldender, ja poëtischer, dan die van Morrison – maar gedichten zijn het niet. Alleen: wat maakt een gedicht tot een gedicht?

     Wreedheid, onbegrip, schaamte, angst, wanhoop, teleurstelling, eenzaamheid, verdriet en zelfhaat: de hele scala van de menselijk ellende is ondergebracht in die bijna vijftig songteksten. En iedere zin is raak. Zijn galmende, getourmenteerde stem klonk op als uit een kerker en de woeste begeleidende muziek van de andere bandleden was van een al even barbaarse schoonheid. Als ik me een persoonlijke ontboezeming mag permitteren: menig moeilijk uurtje heb ik toentertijd als vertwijfeld adolescent doorstaan door het luisteren naar die inktzwarte en tegelijkertijd troostrijke muziek. Eindelijk iemand die zwart op wit zei waar het op stond. Het is de troost die eruit bestaat dat je eindelijk eens niet voor de gek wordt gehouden. Een muzikale shocktherapie. Dit is het, dacht ik. De pijn van het leven op muziek gezet. Curtis en ik, wij begrepen elkaar. En precies hetzelfde moeten duizenden andere jongeren met groeipijnen gedacht hebben. ‘The young men, a weight on their shoulders.’ Ian Curtis, op drieëntwintigjarige leeftijd gestorven in 1980, is voor velen de personificatie van die doemtijd.

     Dat brengt  mij op een nog niet genoemd kenmerk van de poésie maudite  dat Rodenko in zijn essay onderscheidde. Ik citeer: ‘Het lijkt of sedert het midden van de vorige eeuw elke werkelijk nieuwe generatie, elke generatie die een nieuwe impuls in de literatuur vertegenwoordigt, door een poète maudite wordt ingeluid.’ Het spijt me dat ook ik even als generatiekluiver ga optreden, er zijn er al zovelen, maar Rodenko zet mij ertoe aan. Want ook hier zie ik een parallel met onze tijd, met dit verschil dat de ‘gedoemde zangers’ over wie ik het hier heb eerder telkens een periode lijken uit te luiden.

     Met de dood van Jim Morrison in 1971 kwam er een einde aan het hippie-tijdperk. De dood van Ian Curtis (1980) betekende de finale van de doemperiode. Veelbetekenend in dat verband: de overgebleven groepsleden van Joy Division gingen na hun prachtige requiem Movement  steeds luchtiger dansmuziek maken, ten slotte uitmondend in weliswaar weinig knusse maar toch brave housemuziek. En met de recente dood van Kurt Cobain is, zo verwacht menig popjournalist, het doek gevallen voor de grunge-generatie. Het is zoals Freud schreef: “Wij sterven met de held met wie wij ons hebben vereenzelvigd; en toch overleven wij hem en zijn bereid om op dezelfde veilige manier opnieuw te sterven met een andere held’ (geciteerd in De wrede god ).

     Net als Morrison en Curtis schreef Cobain gedichten, en net als zij gebruikte hij die om zijn songteksten te maken (‘I take pride as the king of illiterature’, heet het in ‘Very ape’). Ook bij hem noties als angst, verveling, teleurstelling et cetera. Desalniettemin ontkende hij de laatste tijd in alle toonaarden ‘ongelukkig’ te zijn. Hij wilde zelfs bij wijze van ironie de laatste cd van zijn band Nirvana ‘I hate myself and I want to die’ noemen. Maar hoe ironisch was dat? En hoe ironisch was de foto bedoeld waarop hij zich, een maand voordat hij zich door het hoofd schoot, liet portretteren met de loop van een geweer in zijn mond? Ten slotte heeft Cobain óók laten weten dat hij liever zijn liedjes schreef en op zijn gitaar speelde, zichzelf verstopte, dan dat hij op handen gedragen werd.

     Nee, bij Cobain treedt wel heel duidelijk aan het licht dat hij (‘het kenmerkende’, Rodenko) ervan overtuigd was dat hij alleen als verdoemde en niet als geredde zijn taak – zijn noodlot, zijn vloek – als dichter kon of moest vervullen.

     Hij kon als muzikant geen kant meer op. Want de muziekformule van Nirvana raakte sleets. Het opzwepende van een nummer als ‘Smells like teen spirit’ dreigde een deuntje te worden. En de typische Nirvana-tempowisselingen verwerden al bijna tot sleur. Zo werd het gitaarloopje dat ‘Smells like’ zijn schwung geeft, weer gebruikt voor het intro voor ‘Rape me’ op hun laatste cd. Muzikaal hadden The doors en Joy Division veel meer in huis.

     Maar ook als dichter was er voor Cobain waarschijnlijk geen toekomst weggelegd. Ook bij hem blijft het bij aanzetjes en losse flarden met een enkele mooie zin ertussen. Armzalige bekentenispoëzie, waarvan de enige rijkdom door die bekentenis wordt uitgemaakt.

     René Zwaap schreef in zijn geruchtmakende artikel over ‘Het gemankeerde huwelijk tussen rock en literatuur’ (De Groene Amsterdammer, 30-5-1990): ‘Zodra er een literaire analyse aan te pas komt en de tekst wordt geïsoleerd van de muzikale setting en de klank van de stem, is het gedaan.’ Edoch, het is een grootmoederswijsheid dat ieder huwelijk een kwestie is van ‘geven en nemen’. Een goede rocksong is een bijna ideaal verstandshuwelijk tussen tekst en muziek waarin de een het niet zonder de ander stellen kan.

Jim Morrison, Ian Curtis en Kurt Cobain, drie min of meer armzalige dichters. Gedoemde dichters. Doem die nu voor altijd op hun biografie rust, een stigma dat het gevolg is van hun bezigheden als zangers van hun zelf geschreven teksten. Kennelijk schuilt er soms meer poëzie in de mislukking van een dichter dan in zijn gedichten. Gedachte die bij me opkwam toen ik De laatste deur  van Jeroen Brouwers er nog eens op nasloeg, dat prachtige monument voor de halftalenten en mislukten onder de dichters en schrijvers.

     En wat voor deze drie gemankeerde dichters geldt, geldt ceteris paribus voor al die andere gedoemde popmuzikanten. Zoals voor Lou Reed, die zijn songteksten uitgaf onder de titel Lyrics  (maar lyrisch wordt het nooit). En voor Nick Cave, die zijn weinig poëtische gedichten en songteksten liet verschijnen in het mooie boekje King Ink . (Hij is wel de enige popmuzikant die een voortreffelijke roman schreef: And the ass saw the angel..) Ook van Herman Brood verscheen bij een serieuze uitgeverij een dichtbundel, maar laten we het daar uit respect verder maar niet over hebben.

     Jim Morrison, Ian Curtis en Kurt Cobain, drie bondgenoten in het verkennen van ‘het Kwaad’ in de boze wereld die dit tranendal is. Verkenningstocht die eindigde in de Hemel of de Hel van dat kwaad: de dood, en waarbij ze de onderwereld van hun creatieve krachten aanspraken, om Rodenko nog eens aan te halen. ‘Dat wat wij tegenwoordig “het onbewuste” noemen’.  Zo legde Jon Savage in zijn uitvoerige studie over de Sex Pistols en punkrock England’s Dreaming  (‘Punk was infected by a Rimbaldian script’) bij The Doors ‘het begin van de fantastische reis van de pop in het onbewuste’ en noemde hij Joy Division de ‘postpunk-stap naar de innerlijke ruimte’. Cobain op zijn beurt schreef een nummer geïnspireerd op het syndroom van Tourette en zei daar ‘bijna guitig‘ over: ‘Ken je dat? Je verliest dan langzaam je controle over wat je zegt en op het laatst loop je alleen nog maar te schreeuwen en schelden. Het zijn psychische ontladingen waar je niks aan kunt doen. Toen ik voor het eerst zulke mensen zag, herkende ik veel van mezelf.’ (Dat nummer, ‘Tourette’s’, was een van de weinige nummers waarover hij wel iets kwijt wilde, de rest was ‘stupid poetry ’.)

     Alle drie werkten ze onmiskenbaar met een fatalistische consequentie aan hun zelfdestructie. Hun creativiteit, zou Rodenko zeggen, hing samen met doodsdrift en niet met eros. Er valt, vrees ik, weinig tegen in te brengen.

De sterk door Freud beïnvloede Alvarez stelt dat kunst de functie van het treuren op zich neemt ‘om de psychische verdoving die op elke grote onderdompeling in de dood volgt te verbreken’. Wat (behalve aan de jonge Hermans, Blaman en Reve) sterk doet denken aan Vietnam-veteraan Oliver Stone en diens obsessie voor The Doors, culminerend in een aan die groep gewijde speelfilm.

     Freud zelf reageerde op de Eerste Wereldoorlog door een doodsdrift te veronderstellen die sterker is dan het streven naar lust, sterker dan het Lustprinzip . Het probleem van de kunstenaar, licht Alvarez toe,  is dat hij een taal moet vinden die het genotsprincipe transcendeert maar daarbij toch een genot blijft. Het is deze noodzaak die de kunstenaar de rol van zondebok opdringt. En om nu een middel te ontwikkelen dat een uitweg kan geven aan alle opgekropte gevoelens van schuld en vage vijandigheid die hij met zijn publiek deelt, brengt hij zichzelf in gevaar en peilt zijn eigen kwetsbaarheid. Het is, aldus Alvarez, of hij in zijn verbeelding zijn eigen dood vast probeert – symbolisch, voorzichtig, met alle nooduitgangen open.

     Jeroen Brouwers wees in zijn literaire pantheon De laatste deur  op het fenomeen dat sommige schrijvers-zelfmoordenaars, de ‘geobsedeerden’,  in hun werk bewust of onbewust, symbolisch of niet-symbolisch, verhuld of niet-verhuld de manier hebben beschreven waarop zij later zelfmoord zouden begaan. Probeerden zij in hun verbeelding hun eigen dood al vast uit? Het is mogelijk, aannemelijk zelfs. Alvarez haalt Camus aan, die zei dat zelfmoord, net als een groot kunstwerk, wordt voorbereid in de stilte van het hart.

     Elders in het titelhoofdstuk van De wrede god  schrijft Alvarez over het lot van de moderne kunstenaar, die ‘de griezelige gave heeft om eerder dan anderen de spanningen van zijn tijd te voelen en uit te drukken’. Daarbij heeft de moderne kunst zich volgens hem bewogen in de richting van een steeds innnerlijker reactie op ‘een steeds ondraaglijker gevoel van dreiging’. (Alvarez publiceerde zijn boek in 1971, tijdens de Koude Oorlog, in zoals hij zelf elders opmerkt ‘een tijd dat een wereldwijde zelfmoord door een atoomoorlog tot de permanente mogelijkheden behoort’.) En dan merkt hij – in precies dezelfde woorden als Rodenko vijftien jaar eerder gebruikte (!) – op dat het is of de kunstenaar door ‘tot in de uiterste consequenties (…) in het destructieve element’ onder te duiken zijn hele rol in de maatschappij veranderd ziet: ‘in plaats van de romantische held en bevrijder is hij het slachtoffer, de zondebok geworden’.

     Nergens noemt Alvarez een popmuzikant in zijn boek, maar zijn woorden zijn zeer toepasselijk. Ian Curtis zingt ook letterlijk dat hij emotioneel een zondebok is (‘emotionally a scapegoat’) en bij herhaling zegt hij – en Kurt Cobain zegt het hem na: ‘I took the blame’.

Jim Morrison, Ian Curtis en Kurt Cobain, het zijn moderne martelaren. Gedoemden.

     En zoals de poètes maudits  van weleer het genre van het prozagedicht, de poèmes en prose, aangrepen als nieuw uitdrukkingsmiddel, zo heeft het er veel weg van dat de huidige ‘gedoemde dichters’ het muziekgedicht, de rocksong , aangrijpen als uitverkoren genre.

     Het is een veelgehoorde opvatting: de woordkunst heeft afgedaan, want zelfs de roman, dat bastion van de literatuur, wordt in zijn bestaan bedreigd. (‘Er zijn wel meer genres uitgestorven.’) Steeds minder mensen (lees: jongeren) grijpen naar een boek. De taal legt het af bij de muziek en vooral bij het beeld. Maar ik geloof dat de poëzie alleen niet meer is wat zij lang geweest is. Ze is terug bij af: het lied ofwel de song  en de moderne vorm van de ballade, de rap. En wie weet wat daar weer uit voortkomt.

     Het is zoals de dichter Karel Marter, van wie in het najaar (in eigen beheer) de bundel Giftige vruchten  verschijnt, het stelt: ‘De poëzie is op sterven na dood, maar dat is haar métier.’