De landschappen van mijn jeugd

 

 

Voor Elsa Erdmann, in gezamenlijke herinnering aan Leen –

 

 

Vogels: dat zijn de enige dieren die je audiovisueel kunt bewonderen. Want als ze niet per se mooi zijn qua sierlijke vorm of bonte kleurschakering, dan maken ze meestal wel lieflijke geluiden of zingen ze, zoals de nachtegaal, de sterren van de hemel, dan wel laten ze, zoals de stadse merel, een doodse straat opklinken als was het een waar lustoord om er te wonen.

Zelf ben ik geboren en getogen in Wassenaar. Een prachtige omgeving waar verschrikkelijke mensen wonen. Ze zijn rijk en dom en genieten van die rijkdom. Even voor de beeldvorming hoor. Want er wonen natuurlijk ook wel goeie mensen en slimmeriken en uiteraard is niet iedereen er belachelijk rijk. Maar goed. Zelf kom ik uit een arbeidersgezin dat woonde in de enige achterbuurt die Wassenaar rijk is. We woonden er met z’ n negenen in een klein huis. Een lieve moeder, een laat ik zeggen lastige vader, een dochter als oudste kind en dan verder allemaal jongens.

M’n zus wist niet hoe gauw ze weg moest wezen toen ze eenmaal achttien was.

En dat begreep ik wel. Ik ging er zelf ook graag op uit. Weg van die woning vol reuring. Ontsnappen aan al die opspelende jongenshormonen en aan de zichtbare degeneratie van m’n ouders. De deconfiture van het leven, net wat ik u brom – ik mag graag brommen, maar van bromfietsen houd ik niet. Bien. Ik had al vroeg een haat-liefdeverhouding met alles en iedereen en dat is altijd zo gebleven. Ik hou graag afstand. En ik ben graag alleen. Aan mezelf heb ik al meer dan genoeg, om het voorzichtig uit te drukken. Maar toen wou ik vooral hartstochtelijk ontkomen aan de piemelproblematiek van al die puberale jongeheren thuis. En aan de grote lul die vader was. Vooral dat ook.

Het liefst toog ik naar de duinen, om daar te dwalen tussen de doornige struiken en de kale toppen van die zandige heuvels. Op de een of andere manier vond ik die woestenij heel aantrekkelijk. Zeker met die nabijheid van de zee erbij: the end of it all. En dan waren er ook nog bunkers, de stoere getuigen van het naargeestige verleden. Een zwart-romantische omgeving zou je kunnen zeggen.

Ik hield daar veel meer van dan van de bossen van al die mooie buitenplaatsen en landgoederen in Wassenaar. Die bossen, met al die hoge bomen, straalden zo’n voornaamheid uit, wat natuurlijk ook de bedoeling was van al die poenerige eigenaren van vroeger en nu. Zeker als er dan ook nog eens zo’n statig landhuis op stond. En al helemaal als er overal bloeiende struiken stonden, zoals op het Koninklijk Landgoed de Horsten waar onder de lanen met majestueuze eiken de rododendrons rijkelijk bloeiden in van die grote bloementrossen. Ik moest er als kind in de lente elk jaar heen om met het hele gezin naar de bloeiende seringenberg te gaan kijken. Moeder noemde dat bospark altijd eerbiedig ‘de koninginneplaats’. Al die bloemen, bijna obsceen, ik vond het maar nep. Meer iets voor een zeepreclame. En dan al die blije wandelaars daar. Ze roken naar dure parfums. Nee, ik vond het maar niks. Zo onecht dat alles. Het was duidelijk geen plek voor mij.

Gelukkig lagen al die voorname landgoederen ver van ons huis.

Het eerste het beste bos bij ons in de buurt was dat van Duinrell, waar toen nog een kasteel stond, want zo werd dat buitenhuis met toren aangeduid. Maar de boel daar was in verval. De bossen van Duinrell waren toen al ernstig aangetast door de gestage uitbreiding van de camping en de toename van attracties en wandelpaden. Alleen aan de rand van Duinrell, tegen het verboden duin aan, was nog sprake van bos, al was dat voornamelijk naaldhout, dat ooit was aangeplant als productiebos, waar het nog steeds voor gebruikt werd. Maar die gebieden erachter, ruig duin, waren niet vrij toegankelijk en erg afgelegen, dus daar kwam ik niet. Elders wel.

Ach, de duinen. In m’n puberteit kwam ik er vaak. ’s Zomers, onderweg naar het strand, terwijl overal om je heen de veldleeuweriken het hoge luchtruim kozen om hun lyriek aan te heffen en in de spaarzame struiken fitissen hun droefgeestige Chopin-liedje kwinkeleerden. Maar vaker nog in het voor- en najaar om er rond te dwalen en vogels te kijken. Naar broedende wulpen en tapuiten, en naar de trekvogels in de herfst. Die duinen zien nu groen van onkruid en struikgewas dat welig tiert door de stikstofvervuiling. En die vogelsoorten zie je er niet of nauwelijks nog. Konijnen evenmin. Toen waren ze woest, de duinen, nu eerder doods.

Maar om die vogels toen te zien moest ik er echt op uit. Met de fiets, want om dat hele end te lopen, die vijf kilometer, daar was ik te lui voor. En daarom kwam ik vaker bij de weilanden aan de rand van onze wijk. Vlakbij de voetbal- en hockeyvelden. Daar lieten we namelijk onze hond uit zodat hij echt kon rennen. Ik nam de oude kijker van vader mee en keek naar de slobeenden en zomertalingen, genoot van de boerenzwaluwen die over de boerenslootjes scheerden, hoorde de jammerende scholeksters aan en was verrukt als ik de spotvogel met al z’n luidruchtige imitaties weer eens betrapte in de struiken onder de  populieren aan de waterkant. In een schrift ging ik bijhouden wat ik er allemaal aantrof – en dat was veel. Zeker vergeleken met nu, want de boerderij is verdwenen en er is een golfbaan in de plaats voor gekomen. Het gras daarvan is korter getrimd dan de schaamstreek van een deerne. Het gazon is maagdelijk. De lucht is er leeg. Het geluid verstomd. Groen is het er wel. Zeker. Heel groen. Maar zo groen als gif.

Dag vogels, dag bloemen, welkom mensen.

Ja, alle gekheid op een stokje, maar het heeft iets clownesk en daarmee iets heel verdrietigs.

Alles verandert, net wat u zegt. Inderdaad, Langs het tuinpad van mijn vader is een best mooi maar wel érg sentimenteel lied, zoals het wordt gezongen door Wim Sonneveld met die melancholieke stem van hem. Daar ben ik het mee eens. De dynamiek van het moderne leven: er is gewoon niks aan te doen, het is een zichzelf versterkende kettingreactie, ik weet het. Niemand die het kan stoppen, niemand die weet waar het eindigt. In de biologie heet het co-extinctie.

Maar toen ik er laatst was en uitkeek over die kaal geschoren Teletubbie-heuvels met die stomme holes waar ik voorheen hazen zag rammelen bij hun legers, werd het me droef te moede. Zelfs fysiek. Sterker nog, ik werd ter plaatse onpasselijk van wat ik zag. Ik kon er niks aan doen. Ik kreeg braakneigingen. Alles was naar de verdommenis geholpen. Alles was aangeharkt, tot paal en perk beperkt, afgezet met prikkeldraad, rechtlijnig ingedeeld en zo dood als een pier. Ik zag niet één bloem, en niet één vogel.

‘Pipo, koeien!’

Die, die waren er dus ook niet.

Nee, ik zag alleen maar mensen. Met rare kleren aan, alles van een paar merken waarmee je kennelijk gezien moet worden. Ze hadden bijna allemaal hun clubs in een tas op zo’n mal karretje, de trolley. OMG, zei ik mijn jonge dochter na.

Ze lachten steeds, die mensen. Het was een gruwelijk geluid. Verder hoorde je niks.

Ik was woedend en wanhopig tegelijk.

Ik dacht – nee: ik kón alleen maar denken: de mensheid is het vleesgeworden gif van de aarde. Zyklon B, Agent Orange, Roundup: het zijn de schuilnamen van onze vernietigingsdrift.

En dat allemaal ging zo ongeveer (erg ongeveer) door mijn hoofd toen ik urenlang dwaalde over de schier oneindige veenweiden bij Eemnes. Schier oneindig, want waar de duinen begrensd worden door de zee, wordt elk natuurgebied begrensd door een snelweg. En zo zie ik in de verte een eindeloze golf van auto’s de ene kant op gaan en een al net zo eindeloze golf de andere kant op. Onwillekeurig riep het bij mij de song Electricity van Orchestral Manoeuvres in the Dark op. Een zenuwenliedje van de band met de mooiste naam van allemaal. En nog wat anders! Want waar moest Franz Kafka volgens zijn beste vriend Max Brod zelf ook alweer aan denken bij de laatste zin van zijn onheilspellende verhaal Das Urteil, waarin sprake is van ‘een schier oneindige verkeersstroom’? Aan een ontlading, een ejaculatie. Ja, en wat is een ejaculatie anders dan de executie van miljoenen zaadcellen – of ga ik nou te ver?

Terug dan naar die polder. En terug naar vroeger. Want dat is het voor mij, die zonbeschenen natte weilanden daar. Een sentimentele reis. En een melancholieke. Het was laatst, op een werkelijk schitterende voorjaarsdag in april, die warmer was dan alle aprildagen voor die tijd en dat is geen grap. Ik was zelf ook met de auto gekomen, vanuit de grote stad – als je Amsterdam een grote stad wil noemen; druk is het in ieder geval wel. Voor iemand die meer dan genoeg heeft aan zichzelf is het er eigenlijk veel te druk. En zoiets voedt je mensenhaat. Dit terzijde, maar niet geheel…

Nee, dan de polder. In de theetuin aan de rand van het gebied dronk ik een kop koffie en kreeg ik een plattegrond met wandelroute. De vriendelijke vrouw wees me nog speciaal op wat heet ‘de vogelboulevard’, waar zij ook pas een week of wat geleden was achtergekomen terwijl ze er al járen werkte.

Ik de weg op. Lopend. Vlak naast de theetuin zat een ooievaar op het nest. Iets verderop zag ik een kleine kolonie blauwe reigers. Toen het pad ingeslagen dat al heel wat auto-onvriendelijker was. Want keien en kuilen. Zowel links als rechts van dat pad staan her en der wat bouwsels en er zijn  kleine erven. Het geheel maakt een rommelige indruk, maar dat deert niet. Ik zie wat pony’s en dichterbij gromt een herdershond. Maar daarachter strekken zich weilanden uit. En ik hoor meteen al hét geluid dat daarbij hoort. Of, helaas, hoorde. Het gewieto van de gwieto. Want de grutto kan de r niet uitspreken, en zeker hier niet, in het Gooi, waar men wel het geld (naar binnen) maar niet de r (naar buiten) laat rollen. En ja hoor, daar zag ik ze ook. In de lucht en in het gras. Een kennis vergeleek hem eens met een vliegende sigaar vanwege die lange, uit stekende snavel en poten en de dekbladbruine borstkleur. Ver gezocht, net wat u zegt. Toch ben ik het nooit vergeten. En dat geluid is al helemaal onvergetelijk! Bovendien lijken ze elkaar aan te steken. Qua geluid, bedoel ik –  al is de grutto natuurlijk wel de sigaar bij uitstek als het gaat om het verdwijnen van zijn biotoop. Intussen geniet ik met volle teugen als ik al dat grut om me heen zie jeremiëren. O moeder, o vroeger… Algauw meldt ook de tureluur zich. Daar staat ie. Op z’n hoge rode poten. De paalzitter van de polder doet zijn naam eer aan. Dat het nog bestaat, want daar is ook de scholekster en waan ik me terug in de polder van mijn jeugd. Zo klinkt het voorjaar. Of eigenlijk: zo moet het klinken. Feestelijk, vrolijk zelfs ondanks al die verdrietige bijklanken. Puur lentevreugde, dat is het. Daar betrap ik die vogels op. Ik herken het bij mezelf. Ik hoef alleen mijn ogen maar te sluiten…

Maar dat doe ik natuurlijk niet. Want ik hoor het bekende optimistische geluid van de zomerbode bij uitstek, de boerenzwaluw: ‘Very witty so to say…’ En die wil ik zien ook. En ja: daar gaan ze, een paartje, hoe symbolisch wil je het hebben? Ze vliegen een klein betonnen schuurtje in en uit. Zo wendbaar en sierlijk met die staart als een stemvork. Sommige vogelspotters reizen een paar honderd kilometer om zich met zevenentachtig anderen te verdringen op een winderig dijkje in de Achterhoek teneinde te koekeloeren naar een verdwaalde grijze dakduif uit South-Dakota of het onaanzienlijk kleine wipstaartkromsnaveltje uit Noordoost-Igroestië. Ik begrijp dat niet. Hoe zeldzaam weinig ze hier te lande ook waargenomen worden, die dwaalgasten. Geef mij maar de boerenzwaluw. Z’n soms iriserend staalblauwe jacquet, z’n opgewonden geluidjes, z’n soepele vlucht, al die gratie en elegantie, er is werkelijk niks boers aan. Fantastisch is het. Bovendien brengt dit archetypische prachtvogeltje de meeste tijd in Afrika door. Ja, feitelijk zijn alle trekvogels permanente dwaalgasten!

Dat schuurtje is het laatste bouwsel langs de smalle weg die ongemerkt is overgegaan in een onverhard pad. Daarna volgt alleen nog maar weiland. En nu laten ook de kieviten van zich horen. Ik zag ze al wel trippelen, maar nu buitelen er een paar op hun onnavolgbare manier door het luchtruim. En dan die surrealistische geluiden van ze! Geen muzikant, hoe knetter ook, die daaraan kan tippen. Compleet kierewiet! Dolgedraaid als van een synthesizer on xtc. Heerlijk.

Het doet me denken aan de boeken die ik vooral ’s winters uit de bibliotheek haalde en zo’n beetje verslond. Die van Thijsse natuurlijk en een hele reeks van Jan P. Strijbos. En, o ja!, het Vogelboek van Kerst Zwart. Veelzeggende auteursnaam! En het was niet eens een pseudoniem. En dan was er nog een boek over het voor mij onbereikbare, ja, al exotisch klínkende Texel en dat over Waterland, waar het volgens de auteur werkelijk wemelde van de poldervogels. Waterland: dat was het! Daar zag je werkelijk alles! Het beloofde vogelland. De hemel! Die dan wel zwart zou zien van de veldleeuweriken… Maar hoe daar te komen? Vader had er weinig trek in, in dat zompige stinkland boven Amsterdam. Dan ging hij liever naar Schiphol. Veel liever. Want dat was pas machtig mooi vond hij, al die vliegtuigen. Daar waren die stomme vogeltjes niks bij. En zo werd dat Waterland ook een onbereikbaar oord. Totdat ik, jaren later, in een krant las dat de vogelstand er zo’n beetje gedecimeerd was en het voor mij al niet meer hoefde. Het zou te veel pijn doen.

Een bij zoemt ontspannen en doet een smeerwortel aan. Het moet nog Pasen worden maar ik zie al volop pinksterbloemen, terwijl het koolzaad al knalgeel is geëxplodeerd in fijn vuurwerk. Ook aan de dovenetels hangen al hun teer witte bloemen. Ze worden druk bezocht door zo te zien verschillende soorten bijen. Het weiland zelf ziet er tamelijk droog uit, al zie ik er behalve gras ook wel wat bloeiend onkruid. De slootkanten zijn, constateer ik tot mijn schrik, recht afgestoken. Zo’n grand canyon in het klein is funest voor watersnippen, gele kwikstaarten en eenden en die zie ik dan ook niet. Nog een wonder dat er in die wei kieviten paraderen en grutto’s lopen te poeren.

Dan zie ik wat zangvogels in de berm voor me foerageren. Ze hebben nogal rechtopstaande silhouetten. Paapjes? Drie, vier, nee zelfs vijf bij elkaar? Trek? Raar. Ik kijk nog eens goed maar het licht is niet optimaal ondanks dat de zon schijnt. Het zijn tapuiten, weet ik dan. Vogel die ik eerder associeer met de duinen waar ze plachten te broeden in oude konijnenholen. Maar konijnen zijn er daar bijna niet meer. Vroeger was er myxomatose, virus dat – je gelooft het bijna niet – opzettelijk werd verspreid om de zogenaamde konijnenplaag te bestrijden.  Nu is er weer een ander virus, nog besmettelijker en nog dodelijker. En zo verdween ook de tapuit uit het duin. Er zijn trouwens nog wel meer oorzaken voor aan te wijzen. Co-extinctie!

Ik bereik de oever van het Eemmeer. Oud riet, vergeeld en verwaaid. Ertussen staat hier en daar een wilg. Op het meer een oude zeilboot. Een rembrandteske waterkant, goed voor een tekening. Oud-Hollands. Maar een beetje lullig misschien. Ware het niet dat aan de overkant windmolens staan. Wat zou hij daarmee gedaan hebben?

Aan het het oude riet ontstijgt nu en dan een rietzanger, de gorzen klemmen zich tijdens het zingen juist vast aan de halmen, terwijl de paar karekieten zich meer verborgen houden. Eén keer zie ik al die drie soorten in dat ene ronde blikveld van mijn veldkijker. Bloedstollend is zoiets. Jammer genoeg hoor ik geen blauwborst of baardman en ook de Cetti’s laat zijn luide roep als nieuwkomer niet horen.

Ik passeer het kleine sluisgebouw en ontmoet een echtpaar vogelspotters. Ik kan mijn kinderlijke enthousiasme niet voor me houden. ‘Fantastisch he? Het landschap van mijn jeugd!’ Een beetje lacherig staren ze me aan en knikken dan beleefd. Ze zijn van mijn leeftijd. Ze komen hier wel vaker en maken me even snel wegwijs. Het is hier gelukkig wat natter, zeggen ze, want het landje van Geijsel, dicht bij hun huis in Amstelveen, staat al bijna droog. Nou was ik van plan daar ook nog even een kijkje te nemen, maar daar zie ik subiet van af. Ik vraag of zij al kemphanen hebben gezien. Nee, zitten die hier dan? Ja, volgens mijn informatie wel. Vorig jaar zouden er een paartje of zes, zeven hebben gebroed. Maar nee. Ze vertellen dat ze wel een gele kwikstaart hebben gezien (‘Ik ook,’ lieg ik voordat ik het weet) en dan lopen ze rustig aan verder.

Het mooiste komt nog en ik zie het voor me liggen. Echt nat gebied, plas-dras, zoals dat heet. Een weids gezicht. De blauwe hemel, het bonte groen van het kruidenrijke gras, de zwarte strepen die de sloten door het landschap trekken: dit is Holland. Dit is onze Stijl.  En als om er te verwelkomen hoor ik het heerlijke geluid van de wulp. Eerst de roep, later ook de zang, dat welluidende gejodel met trillers en al. Ik zie ze een vliegen. Het jeukt mijn ziel, ik huiver ervan. O weemoed. Laat me erin blijven. Ja, ik zou hier en nu met plezier een pistool tegen mijn slaap zetten en de trekker overhalen, ik zou gelukkig sterven. Stoppen op het hoogtepunt, zo moet dat toch? Ach jeeh, dwaas die je bent, je ziet ze inderdaad vliegen!

Opeens wil ik het hele lijstje. Ja, ik wil alle poldervogels zien. Alles zoals het eens was. Maar er ontbreken er nogal wat. Ik moet mijn best doen.

Maar hoe ik ook de randen van de poelen en de ronde open stukken water, de zogenaamde waaien, af tuur: geen watersnip. Om over de kemphaan maar te zwijgen. En trouwens, niet eens een berg- of slobeend, laat staan een zomertaling die, dat weet ik, nogal storinggevoelig zijn. Nou, dat ben ik anders ook.

Wel veel vlinders trouwens. Witte, oranje-rode, en die gele die vast een citroenvlinder is. Ik weet niet zo veel van vlinders. Bijna niks eigenlijk. Wat ik wel eens gelezen heb en wat ik razend interessant vind, is dat hun vlucht onnavolgbaar. Dat gefladder is georganiseerde chaos opdat predatoren ze in de achtervolging niet te pakken krijgen. Er schijnen heel ingewikkelde wiskundige modellen voor te zijn om dat hemelse gewemel in te vangen. En dan nog is het bijna niet te doen. Fascinerend. Overigens: predatoren? Kun je een gele kwikstaart of een boerenzwaluw zo noemen? Nee toch eigenlijk. Die term is voorbehouden aan de echte rovers, zoals de vos en natuurlijk de torenvalk, sperwer en havik. Maar die zie ik hier niet.

Ik loop de kronkelige, eeuwenoude zomerdijk een heel stuk af. Ganzen zie ik anders zat. Maar ik hou niet van ganzen. Zoals ik ook  niet van meeuwen hou. Onzin natuurlijk, maar het is zo. Ik kijk nauwelijks naar ze om. Komt het soms omdat het cultuurvolgers zijn? Gedoogvogels. Het zou kunnen. Ik weet ’t niet. Eenden en sternen zijn me wel lief.  Waarom is er godverdomme dan ook geen visdiefje?

En dan staat er een grutto voor me, op die dijk daar. Hij kijkt me schuins aan, een meter of tien verder. Ik vind hem maar arrogant, maar dat mag hij. Hier. In dat natte koninkrijk van hem. Het zijn tenslotte de laatste resten van dit cultuurlandschap, want ja, ook hier had de Oud-Hollander de hand in. Wist hij veel, die oude herenboer. De grutto vliegt een eindje op, jammerend, waarschuwend.

Daarna zie ik een parmantige witte kwikstaart op een hek. Die lijkt me ook al te willen zeggen dat ik niet verder mag. En weet je wat? Ik keer terug.

Staat die grutto er weer. Die dijkbewaker. Mag ik er langs? Het mag.

En het wordt beloond, want opeens zie ik in de waterpartijen om mij heen slob- en bergeenden. En warempel, daar gaat een torenvalk. Die buizerd in de verte tel ik niet mee. Die woont zo’n beetje daar langs de A27 en eet bijna alleen nog maar snelwegpizza’s waarvan het rood niks met tomatenketchup of zo te maken heeft.

Ik kom het stel vogelaars weer tegen en vraag of zij dan soms de veldleeuwerik al hebben gezien of gehoord. Maar nee. ‘Je kunt over dit gebied wel lyrisch zijn, zoals ik,’ zeg ik half beschaamd, ‘maar boven een veldleeuwerik gaat niks. En die ontbreekt. De kroon op het werk.’ Ik herinner me opeens dat ik als knulletje eens op een duintop stond en de ene na de andere vogel zag. ‘Wat een feest,’ fluisterde ik voor me uit. Naast me stond een oude man en toen hij precies op dat moment een leeuwerik hoorde verhief hij zijn vinger en zei: ‘En daar is… de jubilaris. Zonder hem is het geen feest geweest.’ Ik zou het nooit meer vergeten. Mijn broers thuis waren minder onder de indruk: ‘Dat heeft ie gewoon van een reclame gejat.’ Maar van welke, dat zeiden ze er niet bij. Over gewoon gesproken: ze gunden mij gewoon het plezier niet, dat was het!

Nee, geen veldleeuwerik  te bekennen. Graspiepers, die natuurlijk wel. Zip-zip. Ook leuk. En ik hoor kluten maar ik zie ze niet. Hoe kan dat nou? Ze sturen me met een kluutje in het riet, denk ik bij mezelf. Nogal flauw, maar ja, ik ben toch alleen.

O, ik ben blij dat ik alleen ben.

Waarom eigenlijk? En, zo vraag ik me meteen af, is het een zorgelijk iets? Zelf vind ik vooralsnog van niet. Integendeel zelfs. Want ik geniet. Daar kan toch niks mis mee zijn? Sterker nog, dat is iets om zuinig op te zijn. Een tijdelijke zegening is het. En dus een zeldzaamheid. Een die op de vingers van één hand te tellen zijn, als ik op m’n geheugen afga.

Ik ben hierheen getogen omdat ik in een van de natuurbladen las dat het hier nog echt rustig was in vergelijking met soortgelijke gebieden elders. Zoals Waterland. En dat maakte me nieuwsgierig. En meer dan dat: het riep een oud verlangen op. Het verlangen te ontkomen, weg te zijn van de anderen,

Er vliegt een paartje scholeksters over. Stelletje druktemakers. Maar mooi zijn ze wel, met dat fel afgetekende zwart-wit en die knaloranje snavel. Mal beest ook, zeker als ze met meer zijn en hun schetterende samenzang ten gehore brengen. Ik bedenk me dat hun naam misschien wel de enige niet onomatopee is voor een steltloper van de weilanden. U weet wel: de klanknabootsende eigennaam. Zoals de wulp woeh-liep roept, de grutto gwieto, de kievit kiwieht en de tureluur tulululuuh… Die laatste is, zo blijkt als ik het vanwege twijfel natrek, niet helemaal zeker.  In de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren trof ik namelijk een lemma uit 1902 aan van de taalkundige D.C. Hesseling waarin hij schrijft: ‘Ik acht het waarschijnlijk dat het woord tureluurs een adjektief is dat behoort bij de naam van een fabelachtig land, het land Turelure, waar alles verkeerd gaat.’ En dan verwijst hij in dat lemma ook nog eens naar het ‘Taalkundig Woordenboek van Weiland’ uit 1810! Mooi is dat, dat toeval. Minder mooi is natuurlijk dat naar nu blijkt het moderne weiland het land Turelure is waar alles misgaat. Laat ik het een ongelukkig toeval noemen. Waarbij ik zelve meteen moet denken aan de winnaar van de hoofdprijs in een loterij die daar dan vervolgens niet mee kan leven en totaal uit zijn gewone, min of meer gelukkige doen raakt. Enfin. Wonderlijk zoiets. En dan, onomatopee is van zichzelf natuurlijk een wonder van een woord. Net zo wonderlijk als de vogel die wel als hét voorbeeld geldt van de onomatopee: de koekoek. Maar die laat zich niet zien of horen, hier in de weilanden. Dat prachtige woord onomatopee intussen, stamt uit het Grieks en het is best lastig te onthouden, je struikelt bijna over die klinkers. Maar er is een leuk ezelsbruggetje voor, naar het schijnt bedacht door de cabaretier Lambert-Jan Koops. Beeld je daarbij een deftige Engelsman in die een strandwandeling maakt en bij een stevige windvlaag achterom kijkt en roept: ‘Oh no, my toupet!

Ja, de schoonheid van de taal mag er ook zijn. Taal is de kroon van elke cultuur. Al kan dat ook een doornenkroon zijn. Want kwalijke en lelijke woorden zijn er in overvloed en bovendien is taalarmoede wijd verspreid.

Maar ik dwaal af. Terug naar de rijke weide! Naar die prachtvolle vogelen des velds, om het een beetje ouderwets parmantig te zeggen, als Jac. P. Thijsse of Jan P. Strijbos die zonder veel overdrijving gekostumeerd in jacquet de natuur in trokken. Mooie foto’s van lang vervlogen tijden!

Intussen ben ik me ervan bewust dat al het natuurschoon slechts uiterlijke schijn is. Een fenomenale grap als het ware. En eentje waar we, mens en dier, met open ogen intuinen. En zo is al die schijnbaar hemelse vogellyriek niets dan overlevingsdrang in de vorm van levenslust. Precies zoals levenslust niets anders is dan de glimmende keerzijde van doodsangst. Want het leven is per slot van rekening wreed. Zoals de natuur au fond wreed is. Een gigantische strijd om het bestaan: precies dat. Het draait uiteindelijk allemaal om overleven te midden van al die andere levensvormen. O, ik zeg niks nieuws, ik weet ’t. Het is elementaire kennis, maar je vergeet het te makkelijk. En waarschijnlijk ook maar al te graag. Oorlog is een natuurlijke toestand. Dé natuurlijke toestand. Zo zit dat.

Nog afgezien van die ontzagwekkende verspilling bij de voortplanting. Ik zie bijvoorbeeld hele zwermen muggen waar de boerenzwaluwen heel graag korte metten mee maken. Niks dansen. En van die duizenden kikkerdrilblaasjes, tedere eitjes als ze zijn, zullen er misschien een paar tot volle wasdom komen, waarna ze grote kans maken om in de bek van zo’n lelieblanke zilverreiger te belanden. Want daarom hoor ik maar zo weinig kikkers. Precies zoals de torenvalk zich vol hongerige overgave stort op zo’n schattig veldmuisje. Het is eten en gegeten worden. Meer niet. Maar dat vergeet je vaak als je naar die rijkdom aan veelkleurige vormen kijkt, gevederd of ongevederd. De natuur draait je een rad voor ogen.

Maar ja, in de verte zie ik dartelende lammetjes op de zomerdijk. Is dat een heuglijk tafereel, of niet soms? Dartelende lammetjes op de zomerdijk! Dat is toch alleen al een zinsnede om vrolijk van te worden? En even later loop ik tussen ze door. Zo schattig, zo onschuldig. Daarom is de Bijbelse naam voor Jezus vast Lam Gods. Er steekt geen enkele kwaad in. Lekker zijn ze wel, weet ik. Het water loopt me meteen in de mond. Het is, om in Bijbelse terminologie te blijven, de smaak van het kwaad. Heerlijk. Ik kan een glimlach niet onderdrukken. En onwillekeurig gniffel ik van plezier. Ik kan er niks aan doen: het komt van binnen.

Gelukkig word ik afgeleid door de aanblik van een hele troep gele kwikstaarten. En dat met de zon erop! Schitterend: een ander woord is er niet voor. Kanariepietjes in de polder. Het zijn er – effe tellen – twaalf. En niemand die het ziet behalve ik. Dat doet me deugd. Waarom weet ik niet zo goed en ik wil er ook niet over nadenken.

Weer wat verderop hoor ik kluten. Maar gek genoeg zie ik ze niet. Ik zie open water, ik zie weiland, ik zie riet, maar geen kluut te bekennen. Heb ik me vergist? Of sturen ze me inderdaad met die kluutjes in het riet? Excuus voor de herhaling van dat  woordgrapje, maar ik ontkom er niet aan. En dus doorlopen maar. Langs door madeliefjes wit gespikkeld maar veelsoortig groen polderland en voorbij een weelde aan hondsdraf, die levendige maar paarsblauwe lipbloem. Wat een prachtvolle, schilderachtige bloemrijkheid. In de verte knallen paardenbloemen als kleine zonnebloemen van Van Gogh. Wat nou Zuid-Frankrijk?

In een poel zie ik knobbelzwanen en het is me een nogal exhibitionistisch stel, want hoe dichter ik nader hoe wellustiger het eraan toegaat. Eerst zie ik ze zichzelf nog wat oppoetsen en soms bollen ze allebei hun vleugels op, ze slubberen wat water op en daarna verstrengelen ze hun sierlijke halzen. Terwijl ik steeds dichterbij kom – ik moet er wel langs, mijn wandeling zit er bijna op – hoor ik af en toe een hoog blaasgeluid. Hun koppen verdwijnen bijna helemaal onder water, alsof ze onder de dekens kijken wat voor vlees ze in de kuip hebben. Even lijken het wel de spreekwoordelijke struisvogels: zijn ze dan toch verlegen en willen ze niet weten wat hun werkelijk drijft? Of hebben ze het soms nog nooit gedaan en aanschouw ik de maagdelijk witte drijfveren van een stel jonge geile zwanen? Van binnen lach ik weer, hinnikend en al. Want ik vind het best wel hilarisch, dat waterballet van deze twee schijnbaar onnozele tsjaikovskianen. De hofmakerij gaat door tot hun baltsvertoon helemaal synchroon gaat, ze knikken nu allebei van jajajaah!en dan kan de paring kennelijk plaatsvinden. Ik sta op een paar meter afstand als het mannetje toch nog wat onhandig op het vrouwtje kruipt dat pardoes en geheel onder water verdwijnt. Wat een vertoning! En als ik me zorgen begin te maken over deze toch niet zo zachte krachten komt zij weer boven. Het is gedaan. Ze poetsen nog wat, nemen een slokje water en kijken om zich heen alsof er niks gebeurd is. Dat is godverdomme ook wat! Stelletje smeerlappen. Huichelaars zijn het en niks anders. Moet je ze nou zien kijken: die arrogantie! En dat bozige ook. Jaja, jullie zijn erin getrapt. C’est la vie. Arm dier. Of, om met de dichter Baudelaire te spreken: ‘Ik zie deze ongelukkige, van een vreemde en fatale mythe, (…) Het leek of hij tot God beschuldigingen richtte!’

En wat zie ik, of liever gezegd: mijn boze oog? Een ouder echtpaar, op de fiets. Ze hebben van die verantwoorde kleding aan. En ze rijden op ook al van die degelijke   fietsen. Er gaat daar verderop dus een fietspad dwars door de polder! Die kolere ANWB ook. Zie dat gaan. Meteen verafschuw ik hun blijde gezichten. Ik kan er niks aan doen. Het is sterker dan mezelf.

Maar het kan altijd erger. O zeker. Want weldra ontwaar ik twee oudere mannen, ik schat ze allebei op een jaar of 65, op mountainbikes. Godsklere ja, op mountainbikes!  Door de polder, die zo plat is als een pannenkoek. Zo plat, zou je ook kunnen zeggen, als hun wereldbeeld. En ze hebben van die malle strakke broeken aan en van die overkleurrijke, schreeuwerige shirts, alsof ze godbetert heldhaftig én heroïsch, jawel, bezig zijn met de beklimming van de louteringsberg van Dante. Wat een komedie, net wat u zegt. Ze doen me denken aan die godvergeten wielrenners in de duinen die je als argeloze natuurbewonderaar van je sokken rijden na je eerst luidruchtig hebben toegeroepen op te rotten en naar helse oorden te vervloeken. Proleterige wegpiraten zijn dat, zonder oog voor welke schoonheid dan ook. Ik heb gezegd.

Ja, ik hou nu eenmaal niet van mensen in de natuur. Om niet te zeggen dat ik er een godsgruwelijke hekel aan heb. Aan die misplaatste tweevoeters met hun mislukte cultuur die zogenaamd de natuur moet vervangen. Ik walg van ze.

Want –  o goden waar is uw wraak?! – ik zie opeens een hele file aan fietsers die gaan beginnen aan dat ANWB-goedgekeurde polderfietspad. Op die goed onderhouden fietsen van ze, nog glimmend van nieuwheid. Zwaarlijvig als ze zijn, deze mooiweerfietsers, met de vetbuilen over hun zadel heen hangend, fietstassen ongetwijfeld vol kant-en-klaar supermarktproviand achterop en petjes op tegen de zon maar wel in de meest krankzinnige kleuren waar een regenboog huilend onder zou bezwijken: het ziet er allemaal niet uit. En dan heb ik het niet eens over die schreeuwerige kinderen die ze bij zich hebben. Het is werkelijk stuitend, die verwenste menselijkheid. Ja, ik haat de mensheid. Ik zeg het hardop en zonder schaamte.

Als een paartje wilde eenden – die er horen, daar in die boerensloot! – opschrikt en er kwakend van verontwaardiging om zoveel onrust en overlast uit opvliegt, roept een bijna vierkante vrouw die al haar kilo’s in een jumpsuit gepropt heeft, met haar schelle stem: ‘Wat een herrie maken ze!’

Let wel: die eenden. Die echte, mooie wilde eenden met hun zachte gekwaak.

Van de weeromstuit (wat anders?) komen er opeens wat grauwe ganzen aangevlogen. Zoals gezegd heb ik het niet op ganzen, maar van mensen moet ik al helemaal niks hebben. Dus ik verwelkom die gakkende vogels en ik roep ze dit keer zelf luidkeels toe: ‘Schijt op ze! Schijt op de mensheid! Doe het dan! Schijt ze helemaal onder!…’

Ik zie die fietsers kijken: wat is dat voor een idioot?!

Nou, dat ben ik dan maar.

Ja, ik nader het dorp weer, ik ben teruggekeerd in de mensenwereld en dat gaat mij af zoals Gulliver na zijn laatste reis, wanneer hij het heel moeilijk vindt om zich weer tussen de afzichtelijke mensen te bevinden. Soms vergeet je dat je er zelf ook toe behoort. Ook dat is een vorm van overleven.