Poëzie

‘How can we know the dancer from the dance?’

        De meesterkunstenaar 

Alle kunstenaars zijn epigonen. Hun
Talent, hun macht is zo klein en het leven
Zo verwarrend wijd veelzijdig. De dag zal 
Komen dat ook zijzelf door de knieën gaan.

Want kijk Hem! Zonder een zucht te slaken werkt
Hij al eeuwen. Nooit wordt Hij moe. Jaloers
Stikken kunstenaars in eigen zwijgen.
Maar Hij, Hij is niet beroemd, eerder berucht. 

Zonder begeleiding, geen violen, niets! 
Geen fluiten noch gitaren, tambouretten,
Hij redt zich met vreeslijke straatgeluiden
Uit stegen, kelders, krotten en riolen. 

En zij gehoorzamen! Pleinen stromen vol,
Alle mensen dansen als letters van ’t lied.
Ja, er is maar één groot kunstenaar: de Dood.
Wie wordt er niet bekoord door zijn refreinen?

“’t Is pas de Vernietiging die voltooit”

 

De dichter M. van Rozenstein schuwt de publiciteit. ‘Als het daglicht,’ zoals hij zelf zegt. Maar nu is daar toch een bundel – naar een keuze van Marc Schoorl – vol ongepubliceerd werk.

“Ik ben een wildsomber beest.
Mijn haat is het die verscheurt.
Met een ziel die om alles treurt,
Ben ik voor alles bevreesd.

Ik aard naar een vuurvulkaan.
Mijn wil is woest, m’n wil is wet.
Ik tier en scheld in gebed,
Ik dans jorem als een sjamaan.

Voor alles ben ik bevreesd,
De schaduwzij past bij mij.
Ik leef bij nacht en ontij,
Ik ben een wildsomber beest.’

 (Fragment uit ‘Liefdesbelijdenis’)

Overrompelende gedichten vol woede en waanzin, gloedvolle haat en radeloze ironie. ‘Over de gril van het leven èn / De regel van de dood.’ Gedichten die van ‘geheimen zoemen’ en alle met ‘de glans van ellende’. Daarbij zijn het heel diverse verzen: rijmende en vrije, ernstige en grappige, meedogende en harteloze. Maar Van Rozenstein’s obsessie geldt de ziel. En die, ‘de pi van de literatuur, / in geen decimalen te benoemen – / wil het totaalgevoel van de taal. / Vraag het de nachtegalen’ (uit: Het geheim van de nachtegaal).

In Van Rozenstein’s opvatting is een gedicht de vrucht van een idee. ‘En een vrucht is weliswaar voedsel, maar in de eerste plaats een genot.’ Verder zegt hij in het interview dat achter in de bundel is opgenomen: ‘De poëziefestivals vormen één grote, gezellige familie van vergrijzende dichters. (…) Nee, de jonge dichter moet uit moorden gaan.’

Grafdelversverzen en duivelse grollen van een dichtende schedellichter