Polemieken van De Ongenietbare Tijdgenoot

Zwagerman Gevoelens

Het Zwagerman Gevoel van hieronder wordt namelijk spoedig vervolgd, dat beloof ik! Nu al zin in…

Onderstaande polemiek verscheen in literair tijdschrift Optima in 1999 (nr. 4 van de 17e jaargang). En bleef, jawel, onbeantwoord. Onbestaanbaar, onuitstaanbaar, maar waar. 

Zwagerman schreef voordien de polemiek te beschouwen ‘als een klassiek duel: met kruist de degens en levert strijd om de Muze’. Maar hij trok geen degen, hij trok alleen zijn mond open. In Amsterdamse cafés, te midden van al zijn zogenaamde vrienden daar. Want wie was die hufterige Marc Schoorl? O, hij zou hem… En dat was het. Daarmee kwam een eind aan wat een klassiek duel had moeten worden. Zo suf. Enfin. Zelf had ik ook wel andere dingen te doen, want zó belangrijk vond ik Joost nou ook weer niet. Integendeel eigenlijk: zie die polemiek hieronder…

Maar Joost heeft in 2015 tragisch genoeg een eind aan zijn leven gemaakt. Onlangs (maart 2020) publiceerde de vrouw van wie hij gescheiden was een ‘autobiografische roman’ over hem – en over de meeste van zijn vrienden, die haar en de kinderen op de begrafenis niet zagen staan. Dat boek, De langste adem getiteld, is aanleiding om me toch nog eens bezig te houden met Joost Zwagerman, deze erwt onder het weinig grootse, eerder gore matras van de Nederlandse literatuur. Aan die scheldkritiek, getiteld: “Het dubbele Zwagerman-gevoel”, hoop ik binnenkort toe te komen.

Pardon? Over de doden niets dan goeds? Dat vonden de vrienden van Joost ja. Ik denk daar toch anders over, vrees ik. Maar heb daar wel reden toe – en Arielle Veerman, zijn ex-vrouw, nog heel, heel veel meer.

Het Zwagerman Gevoel

(Uit: Optima nr. 4, september 1999)

Ik weet niet wat het is, maar Joost Zwagerman brengt je als lezer altijd in de war – alleen op de verkeerde manier. In de pers geldt hij al jaren als de kroonprins van de Nederlandse literatuur, en daar is àlle reden toe. Hij is ijverig, enthousiast, onmiskenbaar getalenteerd, een vakman en bovendien erg, èrg aardig.

Voor sommigen, zeg de jaloersen en masochisten onder ons, is dat laatste tenminste één reden om hem tot ‘griezel’ te bestempelen. Voor een grotere groep geldt: Zwagerman dwingt bewondering af en roept afkeer op. Maar de allergrootste groep, de lieve lezeressen tussen de dertig en vijftig jaar waar de uitgevers zo dol op zijn (want tijd en geld), drukt hem aan het hart. Ook dáár is alle reden toe. Zelf heb ik hem in eigen kring lang verdedigd: hij doet het toch maar allemaal. Nu ben ik om.

Is het omdat hij over prikkelende onderwerpen tamelijk duffe boeken schrijft? Nee, dat is het niet. Ligt het aan zijn veel te omvangrijke oeuvre voor zo’n kleine en onbeduidende thematiek? Nee. Hindert het me dat hij een flinke literatuurvent zou moeten zijn terwijl hij zelf liever ‘een lesbisch meisje’ is? Ook niet echt. Is het zijn koketteren met wassenpopfenomenen als Prince en het huppelkutje Madonna als zouden zij de ware avantgarde zijn (‘Als ze giechelt is ze heel erg lief’)? Neuh. Zijn vlakke artikelen dan, bijvoorbeeld over een scherpzinnige reus als Schopenhauer (Uitsmijter: ‘Schopenhauer was een romanticus’)? Ach, nee.

Het is dat allemaal bij elkaar – en meer dan dat. De som der delen.

Laat ik het Het Zwagerman Gevoel noemen.

De schrijver, eenling per definitie, moet verdedigd worden. Hij is een spion binnen zijn eigen samenleving. Met het ene been staat hij tussen de mensen en met het ander trapt hij de duivel op de staart. De schrijver ziet toe en noteert. Hij strooit verwarring en legt zijn oor te luister als anderen hun mond voorbij praten. In zijn werk rukt hij de maskers af en ontdoet zijn personages van de schone schijn oftewel – het journalistieke cliché – van het ‘dunne laagje beschaving’. Want de schrijver kent als geen ander onze listen en geheime beweegredenen. Hij kent ze namelijk van binnenuit: de duivel huist in zijn borst. Hij weet dat en is er eerlijker in dan anderen. Want de schrijver is oprecht. Hij liegt ook, maar dat is tactiek, middel, hij liegt immers om de waarheid bloot te leggen. Hij gooit zijn lezers zand in de ogen – en zij noemen het verstrooiing, amusement. De schrijver laat een authentiek geluid horen in een vervalste wereld. Zijn waarheid bestaat uit zijn authenticiteit – en omgedraaid.

Zijn taak is het natuurlijk om boeken te schrijven.

Dat doet Zwagerman. Maar de rest schiet erbij in.

Een schrijversloopbaan onder de loep.

Zijn debuut Kroondomein bestond uit stijloefeningen, en daar is het eigenlijk altijd bij gebleven.  Als je een boek van Zwagerman leest heb je steeds het idee een ander te lezen. Het is alleen raden wie. Toen de brat pack-auteurs opgang maakten in Amerika schreef Zwagerman een brat pack-boek. Hij gaf er alleen een ander decor aan, de Amsterdamse kunstenaarsscene rondom Rob Scholte. Voor de rest was het, naar goed Hollands gebruik, louter imitatie van buitenlandse voorbeelden. Al verwoordt hij het zelf wat sjieker: ‘Ik heb er nooit wat op tegen gehad om daar (van die leefwereld – MS) een Europese variant op te schrijven.’ Zwagerman stond het zichzelf toe. Verder bekent hij dat Gimmick!  ‘met een hele vette knipoog’ geschreven is. Conclusie: zijn ene oog kneep hij toe en met het andere gaf hij een knipoog. Beter is blinde navolging nooit onder woorden gebracht.

Toegegeven, het waren dan ook veelbelovende schrijvers, die brat-packers. Met zijn derde oog, dat voor mode, constateerde Zwagerman dat het ‘de juiste boeken op het juiste moment’ waren. En van al die brat-packers schreef Bret Easton Ellis wel het ‘radicaalste en meest verontrustende’ boek. Maar meteen al diens tweede boek vond Zwagerman getuigen van een beperkt register. Erger nog: ‘een schaamteloze spin-off’ van zijn geprezen debuut Less than Zero. Helaas toonde Paul Römer in het Bzzlletin-nummer over Zwagerman aan dat passages uit Gimmick! zo sterk doen denken aan de Amerikaanse teksten ‘dat het lijkt alsof Zwagerman deze letterlijk heeft vertaald’. En hij geeft onder andere een voorbeeld uit de gewraakte tweede Ellis… Een nog schaamtelozer spin-off. Wat heet, een griezelige spin-off!

En toen diezelfde Bret Easton Ellis de belofte inloste en een waar meesterwerk afleverde, even radicaal als verontrustend, gaf Zwagerman niet thuis. American Psycho is ‘bedroevend kaal (van taal), plotloos en plat’. Ja, Ellis heeft  ‘een lor van een boek’ geschreven en dat is ‘onvergeeflijk’. In zijn bespreking merkte Zwagerman niet op dat de clou van de plot erin school dat hoofdpersoon Patrick Bateman de gruwelijkheden verzint, of liever gezegd: in zijn hoofd beleeft. En waardoor gebeurt Bateman dat? Doordat zijn omgeving inclusief hijzelf, de snelle yuppenwereld van Wall Street, plat is en zich armoedig uitdrukt. Hun hele belevingswereld is het uiterlijk. De beschrijving van kleding en voorkomen van de personages is een moderne variant op de negentiende-eeuwse fysiognomie. Zij spreken in merken. Daar komt nog bij dat deze kale taal een enorme vaart geeft aan de hallucinaties van niet-literaat Bateman, want dat zijn het. Ze worden er geloofwaardig door. Zo geloofwaardig dat Zwagerman er in tuint.

Zo’n fout is vergeeflijk.

Maar een jaar later, als het hem inmiddels duidelijk is, revancheert hij zich door het epigonenwerk Frisk van Dennis Cooper boven het voorbeeld te stellen. ‘Cooper slaagt waar Ellis jammerlijk faalt.’ Waarin slaagt Cooper? In de suggestie dat al het geweld in zijn boek ‘berust op een door absolute eenzaamheid steeds heviger wordende hallucinatie’. Dàt is vreemd. Want daarover stond geen woord in Zwagerman’s bespreking van Ellis’ boek. En dan, in zijn revanche, geen woord over zijn aanvankelijke blindheid. Nee, want dat was de schuld van Ellis. Suggestief!

Zoiets is pas onvergeeflijk!

Zwagerman gaf in zijn bespreking boven American Psycho de voorkeur aan nu al vergeten en sowieso onvergelijkbare boeken van Banville (tenminste een ‘getuigenis’ ofwel schuldbekentenis), Theroux (want angst, walging èn, de heer zij geprezen, ‘berouw’) en aan het formulewerk, hoe knap ook, van Thomas Harris, schrijver van The Silence of the Lambs. Volgens Zwagerman ontbreekt het American Psycho zelfs aan maar een fractie van de kwaliteiten van deze romans. Intussen ontgaat hem de hele portee van dat boek. Ellis zelf verklaarde dat de toon van het boek autobiografisch is: zo ervaart hij de leegheid van het moderne leven. (Dat heeft, tussen haakjes, verdomd veel weg van een authentiek geluid in een vervalste wereld.) Zwagerman mist een ‘groeiend inzicht in de psyche van de killer’. En ook zo wat: de beschrijvingen van slachtingen zijn ‘even koel, registrerend en zakelijk als die van de voorafgaande vrijages.’ Ja, nogal wiedes als die afkomstig zijn van de geestdode Bateman!

Ellis stelt dat we te veel tv hebben gezien – niet: meegemaakt. ‘We zijn slachtoffers van de televisie.’ Hij wilde Bateman geen geruststellende motieven, geen verklaringen of psychologische rechtvaardiging meegeven. ‘Zo zit hij niet in elkaar.’ Het personage Bateman zelf merkt op: ‘Een rationele analyse van wie ik ben (…) is uiteraard een onmogelijkheid. Er is geen sleutel.’ American Psycho is niet de zoveelste getuigenis en van berouw of een andere katholieke uitweg is gelukkig ook geen sprake. Ellis wilde een boek schrijven tegen het luxueuze nihilisme – en komt daarmee in de buurt van anti-nihilist Dostojevski, van wie het motto afkomstig is. En waar Sade zijn gewelddadige scènes laat afwisselen door filosofische gesprekken, kiest Ellis voor lege lunchpraatjes. Sade beschrijft (al te) levenslustige mensen van vlees en bloed, Ellis hersendode creaturen in dure merkkleren. Hoe het altijd toch nog erger kan. Dostojevski, Sade: grote namen, ja. Want nee, ’t is geen boek met een knipoog, en al helemaal niet plat of leeg. Een ‘geëngageerd’ boek daarentegen, want het beste boek over zinloos geweld, waar we in Nederland niet over uitgeorakeld raken! Nee, dan Gimmick!  dat na de aanslag op Rob Scholte volgens Zwagerman’s eigen zeggen ‘met terugwerkende kracht veranderde in een arcadische schelmenroman’. Gimmick!: Een sleutelroman waarvan de sleutel niet past. Gossip! had een beter titel geweest, al die leuterpraat…

Zwagerman zocht intussen een nieuw model. Brat-pack was uit. Hij vond het vlakbij. Want brat-packer Michael Chabon schreef geen ‘snelle yuppieromans’ maar nu juist doelbewust traditioneel. Met zijn verzorgde en delicate proza, aldus Zwagerman, streeft hij overduidelijk ontroering bij de lezer na. Bij hem geen kettingzagen en lustmoorden maar ‘heel gewoon, onzekere jongens en meisjes die het beste met elkaar voor hebben maar die er maar niet toe kunnen komen elkaar werkelijk te naderen’. Hij heeft het over Chabon’s verhalenbundel A Model World. Treffende titel! Het is een wereld die bij Zwagerman past. ‘Heel gewoon.’ Zijn debuutroman De houdgreep ging ook over een onzekere jongen en een onzeker meisje die het beste met elkaar voor hebben maar die enzovoort. Daarover had hij gelezen bij Raymond Radiguet, auteur van puberboekjes.

Tot zover het model. Stòf voor zijn nieuwe boek vond Zwagerman nog dichter bij huis. Hij las Ischa Meijer’s reportage Hoeren  en dacht (ik citeer): ‘Dat ga ik ook doen.’ Hij woonde ten slotte om de hoek van de Ruysdaelkade. En in zijn boekenkast stond nog een exemplaar van De dokter en het lichte meisje van Simon Vestdijk. Bovendien is de hele 19e-eeuwse literatuur vergeven van jongetjes die het houden met een gevallen vrouw. Met een schijnheìlige vrouw – dat heilige-hoermotief speelt al ééuwen een belangrijke rol. Ook in Vals licht liegt de hoer, want zoals Vestdijk hem al voorkauwde in zijn schandaalkroniek: ‘Alle prostituées liegen, dat stond in ieder boek over dit onderwerp, en eigenlijk hoefde men er geen boeken over te raadplegen.’ Laat staan er een over schrijven!

Met Vals licht schreef Zwagerman in eigen woorden: ‘Het grootst mogelijke cliché.’ Maar dan wel met betrokkenheid. Want hij wil dolgraag als ‘geëngageerd mens’ in het leven staan. Straatrumoer rondom een raamhoer! Hij heeft zich bij wijze van spreken (zijn wijze) met hart en ziel ‘als een hoofse ridder ten dienste gesteld van het vraagstuk van de prostituée’. ’t Is alsof je wijlen pater Van Kilsdonk hoort. Joost Zwagerman als het prinsekind van de hoerenbuurt! Want ja, de hoofsheid waarmee hoofdfiguur Simon Prins zijn snolletje omgeeft, die ‘heeft wel met mij te maken’. Niettemin meent Zwagerman dat verder niemand nu nog wat te melden zou kunnen hebben over het Hollandse hoerenleven. Hij heeft het met deze ‘solidariteitsverklaring aan de working-girls’ wel ‘gecovered’. Zou het? Wordt er hoofs omgegaan met de hoeren? Want zelfs in dit hoerenboek zijn de passages over liefde en sex ‘van ná de tweede feministische golf’ – de rode draad in het werk van Zwagerman. Bij Zwagerman gaat de waarheid in vrouwvriendelijke lingerie gekleed. Dag mevrouw, ik ben een working class hero, wilt u me pijpen en mag ik in uw kont neuken? O, is dat niet van ná de tweede feministische golf?

Zwagerman heeft het wel gecovered. Als een omslagartikel. Robert Anker sloeg in zijn bespreking de spijker op z’n kop en noemde Vals licht  ‘een gefictionaliseerde reportage’. In memoriam Ischa Meijer. Amen.

Het volgende boek, De buitenvrouw, getuigt van onmiskenbaar vakmanschap. Er staan verrassend fraaie zinnen in: ‘(Hij) schoof bij haar naar binnen, zoals een lijk op een slede een koelcel in wordt geschoven.’ Een zin die ons necrofiele hart doet overslaan, want houden wij niet allemaal van onze dierbare overledenen? Warempel, ’t Is welhaast een meesterproef.  Maar helaas, ook hier weer: John Updike, ‘het grote voorbeeld van schrijven over suburbia (…)  heeft me op het spoor gebracht’. Zo is het begonnen. En het eindigde, letterlijk maar zonder aanhalingstekens, met een citaat uit een verhaal van J.D. Salinger. Eigenlijk is het hele boek een soort Amerikaans suburb op Hollands formaat. Zoals het ook een klassiek Hollands drama is. Want er gebeurt niets. De verhouding tussen de sul Theo en zijn Surinaamse minnares loopt met een sisser af, en niet omdat zijn kwakkie op de kachel terechtkomt. Een van de leerlingen die van de verhouding tussen deze twee docenten weten krijgt een draai om zijn oren, maar zie: zelfs een hersenschudding loopt hij niet op. Niks aan het handje. Als op de laatste pagina’s het huisalarm afgaat is het loos alarm. Het verhaal gaat uit als een nachtkaars en Theo gaat slapen met zijn wettige vrouw. Einde. Ook de lezer kan rustig slapengaan.

De  buitenvrouw is een buitengewoon aangenaam boek. Een lekker leesboek. Zoals hij zelf ‘een heerlijk gevoel’ krijgt als hij een pagina of twintig in Updike leest. Een geschenk van Updike. En dat is precies wat Zwagerman wil, ‘zijn lezers iets geven’. Zó aardig. Een heerlijk gevoel en op de koop toe iets om over na te denken. ‘Ik schrijf niet voor de eeuwigheid, of voor de onsterfelijkheid, maar voor een hopelijk zelfs aantoonbaar resultaat. Ik kan niet de wereld, maar wel de buitenwijk in Nederland verbeteren.’ De schrijver als opbouwwerker. Oom agent in Kennemerland. De hoerenwijk is, zoals we hiervoor zagen, ook al een stuk vrouwvriendelijker geworden door Joost’s inmenging.     En daarom schreef hij in De buitenvrouw  over alledaags racisme. In Het Parool sprak hij erover. Want wat weten we nu bijvoorbeeld van Surinamers? roept Joost uit. ‘Helemaal niks.’ (Verontwaardigd:) En op het jaarlijkse Kwakoe-festival in de Bijlmer (‘fantastisch’) zie je bijna geen blanke! Dat laatste klopt, ondergetekende is er ook wel eens geweest, met mijn broer die op exotische schoonheden valt – ik vond er geen zak an – maar hoeveel Surinamers zie je eigenlijk op het Jordaan-festival?

Joost weet trouwens wèl het een en ander van onze Surinaamse medemens. Hij bezoekt dan ook vaker een Bijlmer-buurtfestival (‘laatst nog’). Dat komt omdat hij ‘een zwak’ heeft voor Surinamers. Oh joh, als hij een Surinaamse moeder met haar kinderen over straat ziet gaan, dan denkt hij: ‘zo’n moeder zou ik wel gehad willen hebben’. Wat ’n lieverd, he? Alleen zie je in de metro wel eens andere taferelen. Toch zegt Joost: ‘Het zijn doorgaans leuke mensen’ en dat wil ik best geloven. ’t Is een dooddoener, net zoiets als zeggen dat Belgen heus wel intelligent zijn. ‘Ze hebben goede koppen, goede stemmen.’ Goede koppen? Ja, karikaturisten doen er graag hun voordeel mee. Goede stemmen? Ja, ze worden vaak nagedaan in flauwe moppen over de W.W.  We moeten het ook weer niet overdrijven. Joost wil dat ook niet. Zo hoorde hij een keer op tv een Surinaamse scholier verkondigen: geen integratie, maar acceptatie. Nou, dàt was het! ‘Daar ben ik het geheel mee eens!’ Niet een beetje, nee: geheel. Was getekend: Joost Zwagerman.

Hoe goed kent hij de Surinamers eigenlijk? Anil Ramdas, intellectueel uit Suriname, tikte hem daarover op de vingers. In zijn boek liet Zwagerman de ontwikkelde Surinaamse lerares geloven in bepaalde elementen uit het winti-geloof zoals het in de praktijk alleen voorkomt bij het mannelijke deel van de arme ongeletterde volkscreolen. Bovendien stemde het taalgebruik van haar en haar familieleden niet overeen met hun culturele achtergrond. Ramdas beging daarbij de fout Zwagerman en nog een aantal andere auteurs zo’n beetje te betichten van onverschilligheid en onoplettendheid uit moedwil en kwade trouw. In een repliek weerlegde Zwagerman dat laatste keurig (en terecht), maar onder de feitelijke onjuistheiden probeerde hij uit te komen met een beroep op zijn tienjarige woon- en werkverblijf in de Amsterdamse volkswijk De Pijp met de Albert Cuypmarkt, waar veel Surinamers boodschappen doen. Niet erg overtuigend. Hij had beter deze foutjes kunnen toegeven. Maar ja, dan was zijn verontwaardiging over onze geringe kennis van de Surinaamse medemens met terugwerkende kracht ook een beetje schijnheilig.

Uiteraard bleef Zwagerman in zijn repliek heel aardig en correct: ‘Ramdas heeft mijn sympathie in zijn betrokkenheid bij het welbevinden van honderdduizenden burgers.’ Polemisch vuurwerk is zijn stiel niet. Zwagerman heeft geen stijl. Of nou ja, die verandert met het decor in zijn werk. Gimmick! : hip, snel. Vals licht : breedvoerig, naturalistisch. De buitenvrouw : strak, modern-klassiek. Hij heeft verdomd veel weg van een kameleon. Zijn tong is ook al net zo plakkerig. Een kleine bloemlezing van citaten onder de titel ‘Aardig’:

Gimmick!  is een soort dankbetuiging aan Jan Wolkers: “Dank u wel, meneer Wolkers, dat u Turks Fruit hebt geschreven.” (…) Dat is om aardig te doen.’

‘Bernlef is typisch een schrijver voor wie ik een diepe buiging maak en daarna mijn hoed afneem.’

Over Bernlef èn Ouwens: ‘Het zijn twee tegenpolen (…) – niet dat ik het een beter vind, (…) ze hebben allebei mijn bewondering.’

‘Ik heb meer op met Lucebert dan met Kouwenaar. Niet dat Kouwenaar een minder dichter is, beiden zijn de absolute top. (…) Hetzelfde geldt voor Claus.’

‘De generatie Nix geniet mijn meer dan warme belangstelling. (…) Over de manier waarop ze (…) zich profileren (…) kun je het jouwe denken, maar mij bevalt het wel.’

Zwagerman heeft een excuus:  ‘Ik ben van nature niet conflictueus aangelegd.’ Zou het? Bestaat er één mensenbeest dat daar ‘van nature’ niet op uit is? Hoe dik is het laagje beschaving van Zwagerman? Nu ja, hij legt het er dik bovenop. De duivel mag overal zijn, niet in zìjn borst. Joost is een Übermensch, maar dan van een aardig soort, de Vriendelijkheid zelve.

De bloemlezing ‘Aardig’ heeft een onderafdeling getiteld ‘Correct’:

Michaël Zeeman vond de bloemlezing Maximaal  niet meer dan ‘een teil met rotte vis’. Het is reden voor de ook al zo aardige maar minder correcte Maximaal Arthur Lava om op een dichtersavond boven Zeeman’s dikke kop een teil om te keren met ‘die dag op de Albert Cuyp gekochte vis’. Verse  vis dus, want ik zei het al: ook Arthur Lava blijft aardig. Zwagerman, aardig en correct, vond dat maar niks. ‘Zelfs niet als reactie op de laaghartige stemmingmakerij van Zeeman.’ Hij beschouwt de polemiek ‘als een klassiek duel: met kruist de degens en levert strijd om de Muze’. Hoofse liefde, hoffelijke ruzie.

Aardig en correct. Als hij kritiek levert, gaat het altijd gepaard met een compliment. Atte Jongsta doet nadrukkelijk aan gefröbel, maar aan ‘bekwaam gefröbel’. M. Februari doet alleen maar aan ‘denkconstructies’ maar wel ‘superintellectueel’. Connie Palmen zal later ‘als de meest overschatte debutant van de laatste twintig jaar’ beschouwd worden, maar ‘natuurlijk, De wetten  is een knap gemaakt boek’.

Hypercorrect. Zo zei hij in een dubbelinterview tegen Hendrickje Spoor: ‘Ik kan heel goed met een vrouw bevriend zijn zonder dat het lichamelijke een rol speelt. Mijn beste vriend is een vrouw.’

Overcorrect. De dichter Rogi Wieg liet weten beste vrienden te zijn met Joost. ‘Ik schreef over Langs de doofpot  (bundel van Zwagerman) in Het Parool. (…) Hij schreef over Toverdraad van dagverblijf  een stuk in Vrij Nederland. Zo ging dat in die tijd, we staken veren in elkaars reet en ondertussen slachtten we (…) Marc Reugebrink.’ Aan de laatste wijdde Zwagerman een polemiek die opgenomen is in zijn bundel Collega’s van God. Inderdaad, De Kameleon vaart uit! Zwagerman is kritisch (‘hermetische kunstmakerij’, ‘saaie, quasi-gemaniëreerde, onartistieke trukendoos’: daarmee heb je het wel gehad), maar van ‘slachten’ is geen sprake. Ik citeer: ‘Voor alle duidelijkheid: wie Komgrond  begint te lezen, ziet onmiddellijk dat Reugebrink geen dilettant of onbenul is. Uit zijn gedichten spreekt een niet te ontkennen vakmanschap en bezonken ernst.’

Zwagerman kan nog beter relativeren dan Einstein.

In zijn jongste roman Chaos en rumoer  schetst hij een autobiografisch aandoend dubbelportret. Het gaat om een auteur, Otto Vallei, die last heeft van een writer’s block, daarover wil schrijven en tot zijn schrik als dusdanig optreedt in een boek van een andere auteur uit hetzelfde fonds, zijn rivaal Eddy Waterland. Deze Eddy Waterland vertoont onsympathieke of laat ik zeggen ‘mediamieke’ trekjes en was een tijdje de minnaar van Otto Valei’s vrouw. De roman speelt zich af in de grachtengordel met af en toe een uitstapje naar de provincie, en ten kantore van hun beider uitgeverij.

In sommige opzichten is Chaos en rumoer een onthullend boek. Uiteraard doet het weer denken sterk aan een ander boek, dit keer aan De grachtengordel van Geerten Meijsing. Maar waar Meijsing sneert, schmiert Zwagerman. Meijsing’s boek was ‘smerig, schofterig en schaamteloos’ zoals het boek van Waterland omschreven wordt. Chaos en rumoer  daarentegen knipoogt vriendelijk. Tegelijkertijd lijkt Zwagerman zich in zijn boek hier en daar te willen verdedigen tegen aantijgingen. ‘Hoe kwam hij toch aan dat ellendige stigma van allemansvriend?’ vraagt de hoofdpersoon zich bijvoorbeeld af. Ja, hoe zou hij daar nou aan komen? Zijn uitgever had hem al gezegd dat hij de enige in het fonds van de uitgeverij is die nog nooit verwikkeld is geweest in een of andere vete. ‘Schrijvers,’ zegt deze ‘zijn straatvechters, ruziezoekers. Maar jij was de prettige uitzondering op die regel.’

(Er bestaan ook ònprettige uitzonderingen. Toen Zwagerman een Bekende Nederlander en een Zeer Bekende Popmuzikant als hoerenlopers opvoerde in zijn roman Vals licht schrapte hij bij herdruk en nader inzien de Bekende Nederlander, maar liet de Zeer Bekende Popmuzikant staan. Nou ja, lopen. De popmuzikant, geen Nederlander en van de prins geen kwaad wetend, kan zich toch niet verdedigen, met of zonder degen. De Muze heeft het nakijken.)

Zwagerman als prettige uitzondering. Prettig voor wie, is de vraag. Voor de uitgever, want allemansvrienden voelen zich op alle markten thuis. En prettig voor de schrijver: geen gezeik aan zijn hoofd – tòtdat het zich tegen hem keert. ‘Hoe kwam hij toch aan dat ellendige stigma van allemansvriend?’ ’t Is alsof je Zwagerman in eigen persoon hoort. Hoe hij aan dat stigma komt mag (zie bovenstaande) bekend verondersteld worden. Ten overvloede nog de volgende aanvulling, zijn uitspraak: ‘Ik ben de enige die zowel bevriend is met Theo van Gogh als met Leon de WInter.’ Dit opportunisme beperkt zich overigens niet tot zijn vriendschappen, zelfs onverenigbare fenomenen als Madonna en Schopenhauer, punk en disco passen in zijn kraam (‘Ik hield erg van ska omdat ska het beste van disco en punk verenigde’).

Vandaar dat zijn boek als satire niet overkomt. Satire, Zwagerman! Ik zei het al, Chaos en rumoer is onthullend. Een bruikbaar citaat: ‘Het was vlammend bedoeld maar het kwam er schaapachtig uit.’

Onthullend: ‘En toch kon hij niet één naam bedenken van een nobele en waarachtig bescheiden vakbroeder.’

Hoe langer je kijkt hoe kleiner hij wordt.

Onthullend is de roman ook waar het om Zwagerman’s thematiek gaat. Die is namelijk nog kleiner: lvd, lullevede, ‘het enige drama dat ik heb om mee te werken’. Hoofdpersoon Otto Vallei’s ‘trauma’ is de ontrouw van zijn vrouw. ‘Het was wat pover voor een trauma. Maar een pover trauma was nog altijd een trauma.’

De hoofdpersoon heeft, net als de schrijver, ook weer ‘een zwak’ voor deze en gene. Als hij kwaad is wil hij zijn vrouw slaan – en doet het niet. Als iemand hem iets flikt zal dat ‘dieponschuldig en met de beste bedoelingen zijn’. Als hij zich ’s avonds laat in het donker bij Station Zuid/WTC bevindt overkomt hem ‘vanzelfsprekend’ niets. Er wordt een bom gevonden, nee: er wordt géén bom gevonden, alleen een ‘verdacht pakketje’. Ja, zo wordt het nooit wat.

Het ‘verdachte pakketje’ uit de kranteberichten staat voor de hoop van Nederland op een drama. Zìjn er dan geen echte drama’s? Gebeurt er dan niks? Nou ja, in de Bijlmer is er een vliegtuig neergestort. Een kunstenaar raakt zijn benen kwijt bij een bomaanslag. En nu weer de ontvoering en mishandeling van de vrouw van een Philips-directeur. Zoals recent een bierbrouwer werd ontvoerd en een grootgrutter werkelijk om zeep werd gebracht.  Maar Zwagerman blijft op de kleintjes letten!

Nu is het natuurlijk zo: het drama (trauma klinkt ook weer zo overdreven), ieder drama is persoonlijk, daar kan Zwagerman ook niks aan doen. Hij heeft kennelijk weinig meegemaakt en/of het niet gezien. Maar intussen laat hij zich voorstaan op zijn engagement. Op z’n maatschappelijkheid. Op z’n straatrumoer. ‘Ja, ik ben geëngageerd.’ Alleen reikt het engagement van Zwagerman niet verder dan zijn slappe lul lang is.

Lullevude is zijn thema, een ander willen zijn het leidmotief. ‘Was hij maar veertien en een meisje,’ zegt de hoofdpersoon uit Chaos en rumoer.  Ja, misschien dat het liefdesverdriet dan wat doorvoelder over zou komen! Maar ’t is wel vertederend, zo’n grote lummel als Zwagerman die ‘gewoon’ het meisje wil zijn van wie hij houdt. (Z’n allergeheimste wens, een tikkeltje ongewoon, is: ‘Ik zou het liefst een lesbisch meisje zijn.’)

Daar zit ’m de kneep. Zwagerman zegt niet van zichzelf te houden. ‘Mijn zonde is (…) het najagen van een ideaalbeeld van een geliefde.’

Nou, dat vinden zijn lieve lezeressen vast een vergeeflijke zonde. En de dames van na de tweede feministische golf kunnen zich beslist vinden in het lesbische meisje.

‘Ik hou niet van mezelf.’ Vandaar zeker dat je geen blad kunt opslaan of je komt zijn vriendelijk glimlachende tronie tegen. Interview in Elle, vraaggesprek in Libelle.  Vandaar dat hij zo graag en gezellig aanzit in tv-spelletjes. Vandaar dat hij zich van podium naar podium sleept. ‘Zijn leven en werk waren volkomen mediamiek.’ Satiricus! Vandaar zeker ook zijn ‘zwak’ voor de straathoer.

Het probleem is dat Zwagerman ontrouw is aan zichzelf in zijn hoedanigheid van schrijver. Verraad pleegt aan de ooit door hem geformuleerde ‘zware, weinig dankbare maar edelmoedige taak trouw te blijven aan de gedaante van literaire outlaw  ’. Het is het credo uit de tijd van de Maximalen, de literaire outcasts.

Zwagerman is geen outcast maar iemand die uit de kast komt als een lief, onschuldig meisje. Als arrivé voelt hij er niet meer zoveel voor om op de barricaden te klimmen. Een aantal van zijn Maximale bentgenoten maakte hij van de weeromstuit uit als ‘brekebenen’ die op zolderkamertjes dingen maken ‘waar de honden geen brood van lusten’. Ontrouw aan zijn niet meer bruikbare vrienden. Joost Zwagerman: Maximaal. Ja, als een aal. Als postmodernist gebruikt hij wat hij gebruiken kan, om het daarna als oud vuil, als rotte vis van de hand te doen. Kunstconsumptie is het. Zie ook de brat-packers.

Op foto’s lacht hij ons toe. Zwagerman houdt de schone schijn op. Hij glimt als een reetkever die lacht als hij door een collega gekieteld wordt met een veer. Maar hij heeft stront in zijn ogen. Zijn rumoer stinkt.

Het héét engagement. Da’s een chic woord om te zeggen dat je je laat meeslepen door de waan van de dag. Z’n romans bieden verstrooiing, amusement. Ze geven een heerlijk gevoel.  Het zijn liedesverhaaltjes – niet bedoeld voor de eeuwigheid, zoals hij bij voortduring laat weten. ’t Is liefdewerk oud papier. Meisjesmodeperikelen. Viva Joost Zwagerman!

Als je wilt weten wat er in de mode is, dan moet je bij Joost Zwagerman te rade gaan. Op ieder foto is hij weer anders gekleed. Z’n haar zit zoals de wind staat. En in zijn boeken zoekt hij de provocatie, de tegenwind. Daar past hij z’n decor bij aan. Z’n bordkartonnen façade. Hij runt een boekenfabriek als de Amerikaanse speelfilmindustrie. ‘Otto dacht er het zijne van. (…) Daar wilde hij niet aan meedoen.’

Ik kan er niet langer in geloven.

Hij flikt je een kunstje, hij is zijn geloofwaardigheid kwijt.

Ik ben een poseur, gaf hij ooit volmondig toe onder verwijzing naar andere illustere poseurs (Oscar Wilde, Gerrit Komrij). Maar nu poseert hij als schrijver. Voor een bedrijf dat doet in ‘pensioenen, hypotheken, spaarplannen en beleggingsfaciliteiten’.

O, hij is de enige niet. En de eerste is hij nooit. Zo zit Leon de Winter altijd verlegen om een Extra Verkoopargument (zo heet dat in sales manager-taal) en als hij geen gebruik kan maken van het treurige lot dat de joden altijd beschoren is – in ìeder geval ter verdediging tegen z’n critici, dan gebruikt hij wel ‘de normen en waarde’ van een levensverzekeringsmaatschappij. Erger nog, dan verkoopt hij die maatschappij een verhaaltje ter illustratie van hun normen en waarden. (En waar komen die van zo’n levensverzekeringverhandelaar in de kern eigenlijk op neer? Andermans dood is ons brood. O, wacht eens, vandáár dat koketteren met z’n joodse achtergrond.) De Winter doet niet aan maatschappijkritiek, maar aan bedrijfsfilosofie.

Ronals Gipshart, ook zo een. Maakt reclame voor Opzij. Ook van na de tweede feministische golf, zeker? Ja hoor: ‘Ik kreeg het feminisme – èn Opzij – met de paplepel ingegoten; wat ik eraan overhield is een absoluut gevoel voor gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen.’ Hij vindt dat het blad zeker gelezen zou moeten worden door de eigenaren van ‘een bepaald café in Utrecht, want zij selecteren de serveersters op de dikte van hun benen’. Ze moeten zeker naar de dikte van hun tieten kijken, hè Giphs? Volgt een sollicitatie: ‘Ik zou het trouwens ook prachtig vinden om voor Opzij te schrijven!’ Pappen en nathouden, jongen! Maar ik voor mij hou hier een absoluut gevoel voor de gelijkwaardigheid van schrijvers en copywriters aan over.

En Boudewijn Buch, aloude Goetheaan, heeft als een 20e-eeuwse Faust zijn ziel helemaal verkocht aan de reclamejongens.

Straks krijgen de snelle reclamejongens nog gelijk met zichzelf ‘de creatieven’ te noemen. Want wat is het verschil nog? Schrijvers hoeven heus geen boodschap te verkondigen, maar ze kunnen in hun hoedanigheid van schrijver geen reclame maken op straffe voor copywriter uitgemaakt te worden.

Maar we hadden het over Zwagerman.

Zwagerman heeft Het Zwitserleven Gevoel. Daar schreef hij een tekstje over. Dat hij de stad (lees: het rumoer) altijd verkoos boven het platteland, ‘met New York als ideale bestemming’. Origineel als hij altijd is. Maar toen ging hij naar Italië en ontdekte Het. De provinciesteden van Toscane en Umbrië! Neuh, daar had nog nooit iemand van gehoord. Maar dat was het! Daar worden culturele evenementen georganiseerd en dan veranderen zo’n stadje zomaar in een ‘hectische ontmoetingsplaats voor kunstenaars uit Europa en Amerika’. Zwagerman maakte er vrienden – ook onder de bewoners natuurlijk, want correct is aardig en aardig is correct. En dan verblijft hij meestal in ‘een vijftiende-eeuws boerenhuis even buiten de stad, met uitzicht op het aquaduct en de dom van Proleto’. Vijftiende-eeuws! Daar kun je tenminste nog terecht als hoofse minnaar, en onder het aquaduct kun je prachtig de degens kruisen in een klassiek duel om de gunst van het publiek – pardon, ik bedoel: de Muze. Ja, daar in die ‘hartveroverende slaapstad Proleto, daar delen wij het Gevoel.’ Op de foto lacht hij zijn tanden bloot. Zijn ziel krijg je nooit te zien, en de duivel kent hij niet.

Over Gimmick! : ‘Ik heb niet getornd aan het levensgevoel van Frits van Egters, ik heb het alleen een ander decor gegeven. In die achtergrond zit het commentaar op de yuppificatie van de jaren tachtig.’

Hoe het levensgevoel van Frits van Egters tegendraads verkeerde in Het Zwitserleven Gevoel. Oftewel, de yuppificatie van de authenticiteit.

Het Zwitserleven Gevoel in Italië. Ja, Zwagerman verandert gemakkelijk van decor.

Zwitserland, is dat niet het land dat rijk geworden is door zich neutraal op te stellen? Aardig en correct. Maar ondertussen…

Zwagerman laat zich huren als colporteur van pensioenen, hypotheken en wat het allemaal meer mag zijn. Als een mooi jong meisje. Hij is er zijn eigen ideaal mee geworden. Maar het is verraad aan zijn schrijverschap.

Het engagement van een schrijver zou bij de Literatuur moeten liggen (om ook ’ns een hoofdletter te gebruiken). Zeker bij iemand als Zwagerman die immers prat gaat op engagement en die een voorbeeld is voor veel jonge schrijvers.

Het is de som der delen. Zijn fouten zijn te talrijk om hem nog langer serieus te nemen.

Zwagerman had een dubbelportret moeten schrijven van de schrijver als spion. Als dubbelspion, wel te verstaan.

Was getiteld: Het Zwagerman Gevoel.